Voor gratis advies bel 074-2490300

OM vertilt zich aan zaak pedoclub Martijn

27 november 2011
Foto van een lege schommel

OM vertilt zich aan zaak pedoclub Martijn

Jarenlang ontsprong pedovereniging Martijn de dans: foto’s van naakte kinderen op het internet, publicatie van waargebeurde verhalen over seksueel misbruik van minderjarigen. Het kon en mocht allemaal. Het OM stond er bij en keek erna, althans zo lijkt het. Er ontstond een heuse volksoploop bij het huis van een pedobestuurder. Hoe kon het zover komen?

De vereniging Martijn werd in 1982 opgericht als een vereniging die streeft naar wettelijke en maatschappelijke acceptatie van seksuele relaties tussen volwassenen en kinderen. Martijn is van oordeel dat erotische contacten en “vrijwillige” seksuele relaties tussen volwassenen en kinderen niet schadelijk zijn voor kinderen en daarom maatschappelijk geaccepteerd zouden moeten worden. Dat kinderen “vrijwillig” seksuele relaties aangaan met volwassenen, wordt echter door de maatschappij bestreden. Algemeen wordt aangenomen dat kinderen zich gemakkelijk laten beïnvloeden door volwassenen. Ook uit de psychiatrie is bekend dat een categorie kinderen na seksueel contact met volwassenen levenslang met ernstige psychiatrische problemen blijft rondlopen.

De vereniging Martijn weet overigens haar verwerpelijke standpunten aardig te maskeren door in de statuten en op haar website te spreken over: “ouderen-jongeren relaties” en “lichamelijke intimiteit.” De website maakt echter door foto’s, afbeeldingen en pedoseksuele verhalen duidelijk dat het gaat om seksuele relaties met kinderen. Sommige afbeeldingen lijken nadrukkelijk seksueel misbruik te suggereren.

In mei 2010 deed letselschadespecialist Yme Drost, namens de ouders van een 3-jarig seksueel misbruikt meisje uit Glanerburg, aangifte bij het Openbaar Ministerie tegen de vereniging Martijn en haar bestuurders. Tevens vroeg Drost het Openbaar Ministerie de vereniging via een civiele procedure te ontbinden en te verbieden. Hij deed dat na het requisitoir van de officier van justitie in de zaak tegen Geert B. uit Glanerburg. Geert B. die het 3-jarige meisje had misbruikt, zou, aldus de officier van justitie, hebben verklaard tips en adviezen van de pedovereniging Martijn te hebben ontvangen hoe onder meer sporen van seksueel misbruik te wissen. In juni 2011 kwam het antwoord van het Openbaar Ministerie: het OM zag geen mogelijkheden tot het vervolgen, ontbinden en het verbieden van de vereniging Martijn. De Nederlandse samenleving reageerde onthutst. De bekende Nederlander Henk Bres kwam met een burgerinitiatief om de vereniging te verbieden. In korte tijd leverde dat ruim 70.000 handtekeningen op. Ook ontstond er een heuse volksoploop bij het huis van een bestuurslid van de vereniging in Hengelo. Meerdere malen werden de ruiten bij dat bestuurslid ingegooid. Het was duidelijk: een groot deel van de Nederlandse bevolking pikte de opstelling van het OM niet en reageerde zich af op een, zich niet tactisch uitlatende, bestuurder van Martijn. Hij werd kennelijk gezien als dé verpersoonlijking van de pedoseksuele bedreiging van datgene wat ons het meest dierbaar is, onze kinderen. Daar waar het Openbaar Ministerie als enige in deze maatschappij belast is met de vervolging van strafbare feiten en het instellen van civiele vorderingen om verenigingen, die in strijd handelen met de openbare orde en de goede zeden, te ontbinden en te verbieden, nam het OM, in de ogen van een groot deel van de bevolking, die taak niet serieus. Dat het OM zich vertilde aan de kwestie zou later blijken, toen het OM op haar eerder ingenomen standpunt terugkwam. Dat valt te prijzen.

Iedereen kon de eerbaarheid schendende foto’s en afbeeldingen op de website van Martijn bekijken. Het OM verweerde zich door te stellen dat de foto’s weliswaar op het randje van de strafbaarheid waren, maar niet als kinderpornografisch betiteld konden worden. Dat de foto’s en afbeeldingen mogelijk schennis van de eerbaarheid opleveren (art. 240 Sr.) werd niet vermeld. Net of Martijn een soort van beschermengel had binnen het OM. Of had het OM niet serieus naar de zaak gekeken?

In juli van dit jaar maande de plaatsvervangend hoofdofficier van justitie de letselschadespecialist Yme Drost om toch vooral spoed te betrachten bij het indienen van zijn beklag tegen het niet vervolgen van Martijn. Een novum: een Parket dat pleit voor een snelle beklagzaak tegen de eigen beslissing. Zat het OM in de maag met haar eigen beslissing? Was er binnen het OM een tweestrijd over het besluit om niets te ondernemen tegen de vereniging Martijn? Wilde men dat de maatschappelijk rust zo snel mogelijk weer terugkeerde? We zullen het waarschijnlijk nooit te weten komen. Drost diende vervolgens, conform het hem door het Parket gedane verzoek, mede namens zijn cliënten, een klacht in bij het gerechtshof. Hij wilde daarmee ook een opstap creëren naar de Raad van Europa of de Europese rechter, omdat hij de handelwijze van het OM en daarmee Nederland als verdragspartij, ook in strijd acht met meerdere internationale verdragen. Zo stelt het Verdrag van Lanzerote in artikel 4: “Elke Partij neemt de wetgevende of andere maatregelen die nodig zijn om alle vormen van seksuele uitbuiting en seksueel misbruik van kinderen te voorkomen en om kinderen te beschermen.

De met veel belangstelling tegemoet geziene beschikking van het gerechtshof over het besluit van het OM om Martijn niet te vervolgen, liep uit op een deceptie. Het hof weigerde het verzochte bevel en was daarnaast van mening dat klagers niet het recht hadden om te klagen, omdat de verafschuwde afbeeldingen op de website geen betrekking hadden op een kind van klagers. Het hof legde met het uitspreken van de niet-ontvankelijkheid de beslissing in handen van de minister van Veiligheid en Justitie. Minister Opstelten kan, gecontroleerd door de Tweede Kamer, gebruik maken van zijn wettelijk bevoegdheid om het OM middels een aanwijzingsbesluit opdracht te geven de vereniging alsnog strafrechtelijk te vervolgen. Merkwaardig aan de beschikking van het hof is, dat met geen woord gerept wordt over het feit dat de foto’s en afbeeldingen op de website –in strafrechtelijke zin- schennis van de eerbaarheid lijken op te leveren. Daarvoor is namelijk niet vereist dat het gaat om foto’s en of afbeeldingen van een eigen kind van klagers. De enkele confrontatie met de foto’s en afbeeldingen levert die schennis van de eerbaarheid al op, zo luidde de door klagers bepleite stelling bij het hof. Maar het hof wijdde geen letter aan dat argument.

Na de afwijzende beschikking van het hof ging het ineens toch allemaal razendsnel. Drost kondigde direct na de uitspraak van het hof aan naar de Raad van Europa te zullen stappen als alle rechtsmiddelen in Nederland waren uitgeput. Ook deelde Drost mee een klacht te zullen in dienen bij de Kinderombudsman. Nog diezelfde week kondigden het CDA en de ChristenUnie een gezamenlijk wetsvoorstel aan om de vereniging Martijn te verbieden. Twee uur later gaf de hoogste baas van het OM, Herman Bolhaar (voorzitter van het college van procureurs-generaal) een persconferentie: “Op basis van diepgaand juridisch onderzoek is het OM tot de conclusie gekomen dat Martijn zich op een zodanige wijze manifesteert dat dit in strijd is met de goede zeden. Het OM is – ter bescherming van de kwetsbare, jeugdige slachtoffers en potentiële toekomstige slachtoffers – van mening dat in dit concrete geval vrijheid van vereniging minder zwaar weegt en ingeperkt dient te worden. Het behoort tot de civiele taken van het OM om een verbod van een vereniging te verzoeken, indien die vereniging activiteiten verricht in strijd met de openbare orde en goede zeden.

Merkwaardig blijft dat er door het OM (nog) geen strafrechtelijke vervolging tegen de vereniging en haar bestuurders is ingesteld vanwege ten minste schennis van de eerbaarheid, door het plaatsen van naaktfoto’s en aanstootgevende afbeeldingen op het internet. Hopelijk gebeurt dat alsnog en neemt het OM ook in die zin haar maatschappelijke verantwoordelijkheid. Anders dient minister Opstelten op dit punt een aanwijzingsbesluit te nemen, aldus Yme Drost. Drost drong, na ontvangst van de negatieve beschikking van het hof, daar al schriftelijk bij de minister op aan. Dat de foto’s en afbeeldingen, evenals de kinderpornografische verhalen, onlangs door Martijn van het internet zijn verwijderd, zou daaraan niet af mogen doen. De gestelde overtredingen van de strafwet hebben immers plaatsgevonden. Daarmee wordt dan door de strafrechter ook een duidelijke streep getrokken in de zin van “tot hier en niet verder.” Hopelijk worden daarmee ook onwenselijke volksoplopen en het ingooien van ramen van bestuurders van Martijn voorkomen en keert de rust weer. Dinsdag debatteert de Tweede Kamer over de kwestie Martijn.

In een poging het opkomende tij te keren, hebben pedobestuurders de maatschappij willen doen geloven, dat de acties van bezorgde burgers zich richtten tegen pedofielen en verenigingen van pedofielen in het algemeen. In zekere zin hebben zij die acties echter over zichzelf afgeroepen. De vrijheid van meningsuiting en vereniging is een groot goed in Nederland. Als pedofielen en verenigingen van pedofielen in de Nederlandse samenleving zich houden aan de geldende wetten, genieten zij dan ook terecht bescherming van deze vrijheden. De vereniging Martijn heeft dat recht verspeeld.

Auteur: Drost Letselschade

 

OM stapt naar rechter om verbod van vereniging Martijn

24 november 2011
Screenshot van de website van Martijn

Screenshot van de website van Martijn. ANP

Het OM gaat de rechter vragen de vereniging Martijn verboden te verklaren en te ontbinden. Het OM heeft de afgelopen maanden een uitgebreid feitenonderzoek naar de pedofielenvereniging verricht. Op basis daarvan en op basis van diepgaand juridisch onderzoek is het OM tot de conclusie gekomen dat Martijn zich op een zodanige wijze manifesteert dat dit in strijd is met de goede zeden.

Het OM is van oordeel dat er een zwaarwichtig publiek belang is bij het beschermen van jongeren en hun ouders tegen de activiteiten van de vereniging Martijn, een vereniging die naar het oordeel van het OM pedofilie en pedoseksualiteit vergoeilijkt en verheerlijkt.

Het gaat aan de ene kant om de vrijheid van vereniging en aan de andere kant om de bescherming van het openbare belang. Het OM is – ter bescherming van de kwetsbare, jeugdige slachtoffers en potentiële toekomstige slachtoffers – van mening dat in dit concrete geval vrijheid van vereniging minder zwaar weegt en ingeperkt dient te worden. Het behoort tot de civiele taken van het OM om een verbod van een vereniging te verzoeken indien die vereniging activiteiten verricht in strijd met de openbare orde en goede zeden.

Het verzoekschrift zal binnen drie weken worden ingediend bij de rechtbank. Daarin zal het OM uitvoerig gemotiveerd aangeven welke overwegingen aan deze beslissing ten grondslag liggen.
Bovenstaande betreft de civielrechtelijke verantwoordelijkheid van het OM. Daarnaast zal het OM net als afgelopen periode ook in de toekomst strafrechtelijk optreden tegen personen die de wet overtreden. Onlangs nog werd de voorzitter van Martijn veroordeeld tot drie jaar gevangenisstraf (waarvan een half jaar voorwaardelijk) voor het bezit van kinderporno.

Bron: Openbaar Ministerie

Uitspraak Hof 21-11-2011

21 november 2011
Datum uitspraak: 21-11-2011
Datum publicatie: 21-11-2011
Rechtsgebied: Straf
Soort procedure: Raadkamer
Inhoudsindicatie: Hof wijst klacht tegen de beslissing van het Openbaar Ministerie (OM) om niet tot strafrechtelijke vervolging over te gaan van de vereniging Martijn en haar bestuurders en/of feitelijk leidinggevenden af. Voor zover de gemachtigde eveneens als klager optreedt wordt hij niet-ontvankelijk verklaard nu hij niet als belanghebbende in de zin van artikel 12 Wetboek van Strafvordering (Sv) kan worden aangemerkt. Ook klagers worden op een aantal onderdelen van hun klacht niet als belanghebbende aangemerkt en niet-ontvankelijk verklaard. Wat klagers in dat opzicht verlangen gaat het kader van artikel 12 Sv te buiten. Of en in welke omvang het recht tot strafvervolging moet worden uitgeoefend staat in zoverre ter beoordeling van het Openbaar Ministerie en de voor dat beleid verantwoordelijke Minister van Veiligheid en Justitie. Vervolging van beklaagden wordt gevraagd ter zake van uitlokking van en/of medeplichtigheid aan het seksueel misbruik van hun dochter door een daarvoor strafrechtelijk vervolgde verdachte. Voor uitlokking in de zin van artikel 47 Wetboek van Strafrecht (Sr) is sprake wanneer beklaagden, door gebruikmaking van een met name genoemd uitlokkingsmiddel, opzettelijk hebben aangezet tot het begaan van het seksueel misdrijf van hun dochter. Om van medeplichtigheid te kunnen spreken zal bewijsbaar moeten zijn dat beklaagden de verdachte van het seksueel misbruik van de dochter van klagers opzettelijk inlichtingen hebben verschaft terwijl zij wisten dan wel bewust de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat hij met de informatie werd geholpen bij het plegen van dit specifieke feit. Het hof komt tot het oordeel dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevat voor een succesvolle vervolging op deze onderdelen.
Vindplaats(en): Rechtspraak.nl
Uitspraak
Klachtnummer 11/0251

GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Beschikking d.d. 21 november 2011 inzake de klacht van:

[klager 1], gemachtigde,

[klager 2]
en
[klager3],
allen woonplaats kiezende bij [klager 1],
hierna te noemen klagers,

ter zake van het uitblijven van een strafvervolging tegen

Vereniging Martijn,
gevestigd te Hoogeveen,
[beklaagde 2],
[beklaagde 3],
[beklaagde 4]
en
[beklaagde 5],
hierna te noemen beklaagden.

Het procesverloop
De klacht is bij het hof binnengekomen op 20 juli 2011.

Ingevolge de beschikking van dit hof d.d. 21 juli 2011 heeft de advocaat-generaal, onder overlegging van de processtukken, schriftelijk verslag gedaan.
Klagers zijn op 28 september 2011 door het hof in raadkamer gehoord.

De motivering
De inhoud van de klacht
1. De klacht richt zich tegen de beslissing van de officier van justitie, beklaagden niet te vervolgen ter zake van medeplichtigheid aan en/of uitlokking van de door
[verdachte] jegens [slachtoffer 1] gepleegde strafbare feiten, medeplichtigheid aan en/of uitlokking van zedenmisdrijven gepleegd door anderen jegens andere minderjarige kinderen, deelneming aan een criminele organisatie en het plaatsen en verspreiden van kinderporno via de website van de vereniging Martijn (verder te noemen Martijn).

Het standpunt van de advocaat-generaal
2. De advocaat-generaal is van oordeel, dat klager [klager 1] in zijn beklag niet kan worden ontvangen en dat de klacht van klagers [klager 2] en [klager3], voor zover zij daarin kunnen worden ontvangen, dient te worden afgewezen.

Beoordeling
3. In een brief d.d. 7 september 2011 alsmede in raadkamer is door de gemachtigde aangevoerd dat het hof Leeuwarden niet bevoegd is om kennis te nemen van de onderhavige klacht, nu de beslissing tot niet (verdere) vervolging is genomen door de officier van justitie van het functioneel parket. Ingevolge artikel 12, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) zou om die reden exclusieve bevoegdheid tot kennisneming van de klacht toekomen aan het hof
‘s- Gravenhage.

4. Dit verweer wordt verworpen. Zoals door officier van justitie H. van der Meijden in zijn schrijven d.d. 3 augustus 2011 uiteengezet, is er onder leiding van het openbaar ministerie te Rotterdam – alwaar het landelijk expertisecentrum kinderpornografie is ondergebracht – in verband met bestaande verdenkingen oriënterend onderzoek verricht naar mogelijkheden om de vereniging Martijn en/of haar (voormalige) bestuursleden te vervolgen.
Bij dit oriënterend onderzoek is de aangifte van klagers betrokken. Om praktische redenen is de sepotbrief vanuit het parket Rotterdam verzonden en door mr. Van der Meijden ondertekend, echter in de hoedanigheid van plaatsvervangend officier van justitie te Zwolle. Om die reden moet het hof Leeuwarden bevoegd worden geacht tot kennisneming van de klacht.

5. Met betrekking tot de vraag of klagers – zoals tussen hen en de advocaat-generaal in geschil is – in de verschillende onderdelen van hun klacht kunnen worden ontvangen, stelt het hof het volgende voorop.
Ingevolge artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) kan, voor zover een strafbaar feit niet wordt vervolgd, de vervolging niet wordt voorgezet of vervolging plaatsvindt door het uitvaardigen van een strafbeschikking, de rechtstreeks belanghebbende – voor zover hier van belang – daarover schriftelijk beklag doen. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dient als rechtstreeks belanghebbende slechts te worden aangemerkt degene die door het achterwege blijven van een strafvervolging ter zake van een voldoende bepaald feit getroffen is in een belang dat hem bepaaldelijk aangaat. In zoverre dient te worden onderscheiden van het belang dat iedere Nederlandse ingezetene geacht wordt te hebben bij naleving van de strafwet en de vervolging van strafbare feiten in het algemeen.

6. Klager [klager 1] treedt in deze procedure niet alleen op als gemachtigde van de klagers [klager 2] en [klager3], maar tevens als mede-klager. In raadkamer heeft [klager 1] aangevoerd dat hij tot dit besluit is gekomen omdat hij, mochten [klager 2] en [klager3] om psychische en/of gezondheidsredenen de procedure niet meer kunnen voortzetten, de procedure in dat geval namens hen kan voortzetten. Het hof kan [klager 1] in deze gedachtegang niet volgen. Immers, als gemachtigde kan [klager 1] ook zonder dat hij zelf klager is [klager 2] en [klager3] zolang zij dat wensen vertegenwoordigen.

7. Als klager pro se heeft [klager 1] geen eigen specifiek belang dat te onderscheiden valt van het meer algemene belang dat elke Nederlandse ingezetene ter harte zal gaan, namelijk het belang om kinderen te beschermen tegen seksuele uitbuiting en seksueel misbruik. Zoals hiervoor is overwogen is zulks niet voldoende om te kunnen worden aangemerkt als belanghebbende als bedoeld in artikel 12 Sv.

8. Wat betreft [klager 2] en [klager3] dient naar het oordeel van het hof een onderscheid te worden gemaakt tussen het belang dat zij hebben bij vervolging ter zake van mogelijke medeplichtigheid en/of uitlokking van het seksueel misbruik van hun minderjarige dochter [slachtoffer 1] enerzijds, en het belang dat zij hebben bij vervolging van beklaagden ter zake van de overige door hen geformuleerde strafbare feiten anderzijds.

9. De klacht van [klager 2] en [klager3] is onder meer gericht tegen het niet-vervolgen van beklaagden ter zake van medeplichtigheid en/of uitlokking van zedenmisdrijven jegens minderjarigen in zijn algemeenheid, gepleegd door mogelijke anderen dan de verdachte van het seksueel misbruik van [slachtoffer 1], tegen wie reeds vervolging is ingesteld. Zij voeren daartoe aan dat de verklaring die die verdachte heeft afgelegd in de strafzaak ter zake van onder meer het misbruik van hun dochter niet op zichzelf zal staan en dat hij niet de enige zal zijn geweest die tips en adviezen van, althans georganiseerd door Martijn, zal hebben ontvangen. Zij menen dat het Openbaar Ministerie (OM) daarnaar gedegen strafrechtelijk onderzoek had behoren te verrichten.

10. Het hof is van oordeel dat de strafbare feiten waarvan [klager 2] en [klager3] aldus vervolging wensen onvoldoende bepaald zijn om hen in hun klacht op dit punt te kunnen ontvangen. Voor zover zij menen dat er een algemeen en meer omvattend strafrechtelijk onderzoek dient te worden ingesteld tegen Martijn gaat dit het kader van artikel 12 Sv te buiten. Of en in welke omvang het recht tot strafvervolging moet worden uitgeoefend staat in zoverre ter beoordeling van het OM en de voor het beleid van dat orgaan verantwoordelijke minister van Veiligheid en Justitie, die in het kader van de vervolging ook een eigen aanwijzingsbevoegdheid heeft. Op die wijze zijn (beleids)keuzes van het OM vatbaar voor politieke, in het bijzonder parlementaire, controle. Het beklagrecht op grond van artikel 12 Sv is een nauw omlijnde uitzondering op de hoofdregel dat uitsluitend het OM de beslissing toekomt over de vraag of in een concreet geval vervolging van een bepaald strafbaar feit plaats moet vinden.

11. Ook voor zover de klacht zich richt tot het niet-vervolgen van beklaagden ter zake van deelneming aan een criminele organisatie zijn klagers naar het oordeel van het hof niet als belanghebbenden aan te merken en zijn zij niet-ontvankelijk in hun klacht.
Artikel 140 Sr is geplaatst in Titel V van boek 2 van dit wetboek, welke titel als opschrift draagt misdrijven tegen de openbare orde. Het beschermd belang is door de plaatsing van het artikel in deze titel de openbare orde, meer in het bijzonder de aantasting hiervan, door als crimineel aan te merken of verboden organisaties. Beslissingen over het al dan niet vervolgen van misdrijven tegen de openbare orde zijn bij uitstek voorbehouden aan het OM. [klager 2] en [klager3] zijn alleen als direct belanghebbenden in de zin van artikel 12 Sv te beschouwen wanneer het gaat om mogelijk door een criminele organisatie jegens hen gepleegde misdrijven, maar niet wanneer het gaat om het niet-vervolgen van een criminele organisatie of deelname daaraan op zich.

12. In het klaagschrift stellen [klager 2] en [klager3] voorts dat beklaagden vervolgd behoren te worden voor het op de website van Martijn plaatsen van als kinderpornografisch aan te merken afbeeldingen. Het gaat dan hoofdzakelijk om covers van het maandblad OK en foto’s en afbeeldingen in het tijdschrift Martijn. Het hof komt niet toe aan beantwoording van de vraag of de betreffende afbeeldingen en/of foto’s als strijdig met de wet moeten worden beschouwd, nu geoordeeld moet worden dat [klager 2] en [klager3] ook in dit onderdeel van de klacht niet kunnen worden ontvangen. Er is geen enkele indicatie dat op de website www.martijn.org foto’s van [slachtoffer 1] staan of hebben gestaan. Dat betekent dat [klager 2] en [klager3] door het achterwege blijven van een strafvervolging met betrekking tot dit delict niet zijn getroffen in een belang dat hen bepaaldelijk aangaat, een en ander zoals hiervoor overwogen. Op verzoek van het OM is door de dienst Internationale Politiesamenwerking van het Korps Landelijke Politiediensten onderzoek ingesteld naar de website van Martijn. De conclusie van dit onderzoek luidde dat het openbare gedeelte van de website geen kinderpornografische afbeeldingen bevatte. Bij gebreke van verdenking van een strafbaar feit is door het OM geen vervolging ingesteld. Klagers menen dat er wel sprake is van een strafbaar feit en dat het OM ook onderzoek had behoren te verrichten naar het gesloten gedeelte van de site. Zoals eerder in deze beschikking al aangegeven is de procedure van artikel 12 Sv niet de weg waarlangs klagers hun doel kunnen bereiken.

13. In het navolgende onderdeel van hun klacht kunnen [klager 2] en [klager3] wel worden ontvangen. Zij klagen over het niet vervolgen van beklaagden wegens uitlokking van en/of medeplichtigheid aan het verkrachten van en ontucht plegen met [slachtoffer 1] door de van die feiten verdachte.
Nog los van het feit dat [klager 2] en [klager3] rechtstreeks getroffen zijn door hetgeen hun dochter is aangedaan, zijn zij tevens in hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordigers van het slachtoffer ontvankelijk in hun klacht.

14. Om beklaagden ter zake van uitlokking of medeplichtigheid te kunnen vervolgen zal een relatie gelegd moeten worden tussen door beklaagden verstrekte informatie en de concrete door de verdachte gepleegde feiten jegens [slachtoffer 1].

15. De verdachte heeft in het strafrechtelijk onderzoek naar onder meer het misbruik van de dochter van [klager 2] en [klager3] verklaard dat hij lid is of is geweest van Martijn. In een verhoor in juni 1991 inzake het onderzoek naar de gewelddadige dood van [slachtoffer 2] heeft de verdachte verklaard dat hij op een voorlichtingsavond van de Stichting Martijn over pedofilie informatie heeft gekregen over het wissen van sporen, zoals sperma en bloed. In het requisitoir ter gelegenheid van de behandeling van de strafzaak tegen de verdachte op 6 mei 2010 heeft de officier van justitie onder andere naar voren gebracht dat de verdachte verklaard heeft dat hij van een pedovereniging tips heeft gekregen hoe en op welke wijze hij gevaarloos in contact kon komen met meisjes. Ook beweert de verdachte van Martijn te hebben gehoord dat hij kinderpornografische bestanden nooit digitaal moest versturen omdat dit sporen achterliet.

16. Het hof stelt voorop, dat het dossier geen enkele aanwijzing bevat dat de andere beklaagden dan Martijn zelfstandig de feiten hebben uitgelokt of gepleegd.

17. Van uitlokking in de zin van artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) is sprake wanneer iemand een ander, door gebruikmaking van een met name genoemd uitlokkingsmiddel, opzettelijk aanzet tot het begaan van een strafbaar feit, voor welk feit de uitgelokte zelf kan worden bestraft. Concreet betekent dit dat het hof staat voor de vraag of wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de rechtspersoon Martijn en/of de andere beklaagden als opdrachtgevers c.q. feitelijk leidinggevers de verdachte opzettelijk hebben aangezet, door middel van het verstrekken van inlichtingen, om de gestelde strafbare feiten jegens [slachtoffer 1] te plegen.

18. Om van medeplichtigheid van beklaagden aan het door de verdachte gepleegde misdrijf te kunnen spreken, zal bewijsbaar moeten zijn dat beklaagden de verdachte opzettelijk inlichtingen hebben verschaft terwijl zij wisten dan wel bewust de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat de verdachte met de door hen verstrekte informatie werd geholpen bij het plegen van dit specifieke feit, te weten verkrachting van en ontucht met [slachtoffer 1].

19. Voor zover wordt geklaagd over het niet vervolgen van Martijn ter zake van uitlokking van de feiten stelt het hof vast, dat het requisitoir van de officier van justitie in de zaak tegen de verdachte, waarop klagers zich grotendeels baseren, de in het klaagschrift geciteerde en hierboven onder punt 15. samengevatte passage heeft doen voorafgaan door: “Het lijkt er sterk op dat hij er in de loop van vele jaren alles aan heeft gedaan om in contact te komen met jonge meisjes”, gevolgd door de opsomming van een aantal incidenten. Voorts staat vast dat de door de officier van justitie vermelde “voorlichting van de Stichting Martijn over het wissen(…) van sporen” door de verdachte wordt vermeld in een proces-verbaal dat stamt uit 1991. Reeds op grond van het bovenstaande kan geen sprake zijn van uitlokking door Martijn van de feiten jegens [slachtoffer 1] gepleegd, nu uit een en ander geenszins kan worden afgeleid dat het wilsbesluit van de verdachte daartoe door Martijn is gewekt.

20. Met betrekking tot de eventuele medeplichtigheid geldt, dat de “inlichtingen” waarvan sprake is in het requisitoir van de officier van justitie, zoals boven in punt 15. aangegeven, ongespecificeerd zijn naar tijd en plaats. Uit de aan die opsomming voorafgaande werkwijze van de verdachte volgt echter, dat hij voorafgaand aan het seksuele misbruik van [slachtoffer 1] reeds zijn slachtoffers zocht bij kinderen in zijn buurt, die hij al kende. Daarmee kunnen die inlichtingen geen aantoonbare bijdrage meer hebben geleverd aan de door de verdachte begane grondfeiten.

21. Het hof zal derhalve de klacht, voor zover deze kan worden ontvangen, afwijzen wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs.

De beslissing
Het gerechtshof:

wijst de klacht, voor zover klagers ontvankelijk verklaard zijn, af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. P.W.J. Sekeris, A. Dijkstra en J.J. Beswerda, in tegenwoordigheid van mr. E.J. Schwerzel als griffier.

 

Hof: Politiek moet oordelen over lot pedo-vereniging Martijn

Foto van paleis van Justitie te Leeuwarden

Paleis van Justitie in Leeuwarden. foto: Udo Ockema

Het gerechtshof in Leeuwarden heeft vandaag uitspraak gedaan over de vraag in hoeverre het Openbaar Ministerie (OM) terecht tot haar besluit heeft kunnen komen om de pedo-vereniging Martijn en haar bestuursleden niet strafrechtelijk te vervolgen. Het hof is van oordeel dat het OM bepaalt of er strafvervolging plaatsvindt. De voor het beleid van het OM verantwoordelijke minister van Veiligheid en Justitie heeft daarnaast in het kader van de vervolging een eigen aanwijzingsbevoegdheid. Op die wijze zijn naar het oordeel van het gerechtshof (beleids-)keuzes van het Openbaar Ministerie vatbaar voor politieke, in het bijzonder parlementaire, controle.

Volgens het hof is het beklagrecht op grond van artikel 12 Sv. een nauw omlijnde uitzondering op de hoofdregel, dat uitsluitend het OM beslist over de vraag of in een concreet geval vervolging van een bepaald strafbaar feit moet plaatsvinden. Klagers zijn naar het oordeel van het hof voor het grootste gedeelte niet als belanghebbenden aan te merken en zijn daarom voor het grootste gedeelte niet-ontvankelijk verklaard in hun klacht.

Zo is het gerechtshof van oordeel dat een artikel 12 Sv.-procedure wel de mogelijkheid biedt om te klagen over door een criminele organisatie jegens klagers gepleegde misdrijven, maar dat artikel 12 Sv. geen ruimte biedt te klagen over het niet vervolgen van een criminele organisatie of deelname daaraan op zich.

Het hof komt niet toe aan beantwoording van de vraag of de op de site geplaatste afbeeldingen en/of foto’s als strijdig met de wet moeten worden beschouwd. Het hof heeft namelijk geoordeeld  dat klagers ook in dit onderdeel van de klacht niet-ontvankelijk zijn. Er is – aldus het hof – geen enkele indicatie dat op de website www.martijn.org foto’s van de dochter van klagers staan of hebben gestaan. Dat betekent naar het oordeel van het hof, dat klagers door het achterwege blijven van een strafvervolging, met betrekking tot dit delict, niet zijn getroffen in het belang dat hen bepaaldelijk aangaat.

Ook overweegt het Hof dat door het Korps Landelijke Politie Diensten (KLPD) onderzoek is ingesteld naar de website van Martijn en dat de conclusie van dit onderzoek luidde dat het openbare gedeelte van de website geen kinderpornografische afbeeldingen bevatte. Daarnaast is het hof van mening dat klagers er niet over kunnen klagen dat het OM geen onderzoek heeft gedaan naar het gesloten gedeelte van de site.

Wel is het hof van oordeel dat klagers ontvankelijk zijn in hun klacht, voor zover deze betrekking heeft op de uitlokking en/of medeplichtigheid aan het verkrachten van en ontucht plegen met hun dochter.

Het hof is van oordeel dat, om beklaagden terzake van uitlokking of medeplichtigheid te kunnen vervolgen, er een relatie gelegd moet worden tussen de door beklaagden verstrekte informatie en de concrete, door de verdachte gepleegde, feiten jegens de dochter van klagers. Daarbij overweegt het hof dat, in een verhoor in juni 1991, de verdachte Geert B., inzake het onderzoek naar de gewelddadige dood van Semiya Metin, heeft gesteld dat hij, op een voorlichtingsavond van de Stichting Martijn over pedofilie, informatie heeft gekregen over het wissen van sporen, zoals sperma en bloed.

In het requisitoir ter gelegenheid van de behandeling van de strafzaak tegen Geert B. op 6 mei 2010, heeft de officier van justitie onder andere naar voren gebracht dat Geert B. verklaard heeft, dat hij van een pedo-vereniging tips heeft gekregen over hoe en op welke wijze hij gevaarloos in contact kon komen met meisjes. Ook overweegt het hof dat Geert B. beweerde dat hij van de vereniging Martijn had gehoord dat hij kinderpornografische bestanden nooit digitaal moest versturen, omdat dit sporen achterliet.

Het gerechtshof stelt in de beschikking voorop dat het dossier geen enkele aanwijzing bevat dat de andere beklaagden, de (voormalige) bestuursleden van Martijn, zelfstandig de feiten hebben uitgelokt of gepleegd. Nu er ook geen aanwijzingen zijn dat de uitlokking en/of medeplichtigheid zag op de gestelde strafbare feiten jegens de dochter van klagers, kan, aldus het hof, geenszins worden afgeleid dat het wilsbesluit van Geert B. om de dochter van klagers seksueel te misbruiken daartoe door Martijn is gewekt. Uit de werkwijze van Geert B. volgt – aldus het hof – dat hij voorafgaande aan het seksuele misbruik van het dochtertje van klagers reeds zijn slachtoffers zocht bij kinderen in zijn buurt, die hij ook kende. Daarmee zouden, aldus het hof, de inlichtingen van de vereniging Martijn geen aantoonbare bijdrage meer hebben geleverd aan de door Geert B. begane feiten jegens de dochter van klagers.

De conclusie van het hof is dan ook dat, voor zover klagers in hun klacht kunnen worden ontvangen, deze moet worden afgewezen wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs.

Marcel en Priscilla, de ouders van het door Geert B. misbruikte meisje, zijn zeer teleurgesteld over de beslissing van het Hof. Zij voelen zich als aangevers bij het OM en als klagers bij het hof, niet serieus genomen in hun strijd tegen de pedovereniging Martijn. “Martijn mag kennelijk gewoon doorgaan met haar walgelijke website waar foto’s van naakte kinderen op staan en waar afschuwelijke pedoseksuele verhalen op zijn te lezen (zie op website www.martijn.org: Martijn nr. 1, pag. 6, 2e kolom, met vervolg in Martijn nr. 2, pag. 8; zie ook Martijn 14, pag. 16 (kleine inleiding, met verhaal op pagina 19 van Martijn nr. 14). Wij mogen er niet over klagen van het hof. Wij hebben geprobeerd andere kinderen en ouders te beschermen tegen datgene wat ons is overkomen. Als wij het niet doen of mogen, wie doet het dan wel?

Letselschadespecialist Yme Drost, die Marcel en Priscilla bij staat, noemt de beschikking politiek geladen. “Merkwaardig is dat het hof geen letter wijdt aan het feit dat naar mijn mening de foto’s op de website in ieder geval aanstotelijk voor de eerbaarheid zijn, voorzover de foto’s niet kinderpornografisch zijn. Ook het OM gaat daar tot op heden volledig aan voorbij. Kennelijk ontbreekt de wil. Ik en mijn cliënten hebben er niet om gevraagd om, op zoek naar de activiteiten van Martijn, geconfronteerd te worden met naakte, althans aanstootgevende foto’s op een website van een pedofielenvereniging. De eerbaarheid is daarmee ontegenzeggelijk geschonden. Zowel het hof als het OM kunnen daar mijns inziens niet omheen. Maar als noch het OM, noch het hof inhoudelijk ingaat op dit onderdeel van de klacht, ontbreekt kennelijk de wil.” Drost richt zijn hoop nu volledig op minister Opstelten van Veiligheid en Justitie, die hij vandaag schriftelijk heeft gevraagd om daadwerkelijk gebruik te maken van zijn aanwijzingsbevoegdheid, daar waar het gaat om de strafrechterlijke vervolging van de verenging. Drost vroeg de minister in juni van dit jaar al om van die bevoegdheid voor wat betreft het civielrechtelijk verbieden van de vereniging Martijn gebruik te maken. Drost heeft echter tot op heden nog niets inhoudelijks van de minister mogen vernemen. “Het aangekondigde kamerdebat over de kwestie zal hopelijk een doorbraak opleveren, om deze vereniging in zijn huidige vorm een halt toe te roepen”, aldus Drost.

Hengelo, 21 november 2011

Yme P.J. Drost, letselschadespecialist Drost Letselschade

Het dossier Martijn is te lezen op: http://www.drost.nl/category/dossiers/martijn/

De uitspraak van het Hof : http://www.drost.nl/uitspraak-het-hof-21-11-2011/

 

 

Gerechtshof oordeelt over vervolging pedoclub

18 november 2011

Gescheurde teddybeerDEN HAAG – Het gerechtshof Leeuwarden doet maandag uitspraak over de klacht tegen de beslissing van het Openbaar Ministerie (OM) om niet tot strafrechtelijke vervolging over te gaan van de pedofielenvereniging Martijn. Dat heeft het OM donderdag bekendgemaakt.

De zaak is aangespannen door letselschadespecialist Yme Drost. Hij heeft in juli middels een zogeheten artikel 12-beklagprocedure aan het hof gevraagd om het OM opdracht te geven de vereniging te vervolgen. Hij doet dit namens de ouders van een 3-jarig kind dat in 2009 seksueel is misbruikt.

Drost spande de zaak aan nadat het Landelijk Expertisecentrum Kinderporno, dat onder het OM Rotterdam valt, in juni bekendmaakte geen mogelijkheden te zien voor vervolging van Martijn. In oktober meldde het OM echter toch weer te zoeken naar mogelijkheden om de pedoclub te verbieden. Dat meldde Justitie na de veroordeling van Ad van den Berg, de voorzitter van Martijn, voor het bezit van kinderporno.

Het Europese verdrag van Lanzarote maakt het mogelijk dat een organisatie wordt verboden als een leidinggevende hiervoor wordt veroordeeld.

De Tweede Kamer wil een debat over de mogelijkheid van een verbod. Meerdere partijen hebben minister Ivo Opstelten (Veiligheid en Justitie) om opheldering gevraagd over de eerdere uitspraken van het OM dat de pedoclub niet vervolgd of verboden kan worden.

Bron: Telegraaf

 

Artsen beoordelen door Jansen Steur aangevraagde hersenoperaties

15 november 2011

MRI van hersenen

MRI van hersenen

ENSCHEDE – De raad van bestuur van het MST heeft twee specialisten opgedragen onderzoek te doen naar ‘hersenoperaties’, die zijn aangevraagd door de omstreden ex-neuroloog Jansen Steur.
Onderzocht wordt of hij die op twijfelachtige indicaties liet doen.

Vorige week kwam naar buiten dat Jansen Steur mogelijk onnodig in 1998 een blokbiopt uit de hersenen liet nemen bij een patiënt. Volgens het pathologisch rapport zou er 12,5 kubieke centimeter hersenmateriaal zijn weggenomen voor nader onderzoek. Dat wordt door deskundigen gezien als ‘erg veel’. Deze week nam de politie daarvan proces-verbaal van aangifte op.

Jansen Steur, die eind 2003 uit het ziekenhuis werd weggestuurd, ligt onder vuur vanwege een groot aantal foute diagnoses. Hij was medicijnverslaafd. Justitie wil hem voor de foute diagnoses en valsheid in geschrifte gaan vervolgen.

Het Openbaar Ministerie, dat al twee jaar onderzoek doet naar de ex-neuroloog, wil nu ook deze hersenoperatie tegen het licht houden. Het is voor hen een nieuwe zaak. De mogelijk onterechte herseningreep was ook niet bij de commissies Lemstra aan het licht gekomen.

De raad van bestuur van het MST stelt nu dus een intern onderzoek in. Een neuroloog en een neurochirurg zijn opgedragen alle door Jansen Steur in gang gezette neurochirurgische ingrepen van 1997 tot 2004 tegen het licht te houden, zoals het nemen van hersenbiopten, pallidotomie (bij pallidotomie wordt een opzettelijke beschadiging aangebracht in het deel van de hersenen dat de bewegingscontrole regelt) en deep brain stimulation.

Om dit onderzoek zo objectief mogelijk te doen, wordt het gedaan door twee specialisten die pas na het vertrek van de neuroloog in het MST zijn gaan werken.

Als hun rapportage aanleiding geeft tot nadere vragen, dan gaat het bestuur daar een extern werkende deskundige voor inschakelen.

De omstreden hersenoperatie werd naar buiten gebracht door letselschade-expert Yme Drost. Bij Drost Letselschade hebben zich nog vier andere patiënten dan wel nabestaanden gemeld met ernstige twijfels over een hersenoperatie in opdracht van Jansen Steur.

Op verzoek van Drost laat het MST ook onderzoeken of de aanvragen voor een herseningreep door Jansen Steur ook via een daarvoor noodzakelijke ethische commissie van het MST zijn gegaan. Ook de wetenschappelijke publicatie in 2006, van een studie over pallidotomie door Jansen Steur, wordt daarin betrokken.

Professor: ‘Hoeveelheid verwijderd weefsel onnodig’

2 november 2011

Jansen Steur Archieffoto: Reinier van Willigen

De hoeveelheid hersenweefsel die in 1998 bij een patiënte van de omstreden ex-neuroloog is weggehaald, is abnormaal. Daarnaast was de diagnose geen aanleiding om een soortgelijke ingreep te doen.

Dat is de reactie van professor Scheltens, die als hoogleraar neurologie deel uitmaakte van de onderzoekscommissie-Lemstra die de handelswijze van de ex-neuroloog onderzocht. Scheltens reageert via mail vanuit Japan, waar hij op werkbezoek is. Hij is eerder deze week benaderd door de Twentse Courant Tubantia. De hoogleraar was naar zijn opinie gevraagd naar aanleiding van de onthulling dat de omstreden neuroloog Jansen Steur hoogstwaarschijnlijk onnodig bij een patiënte 12 kubieke centimeter hersenweefsel heeft weggehaald. Justitie neemt de zaak hoog op en spreekt binnenkort met de patiënte. Inmiddels heeft zich nog iemand gemeld. Ook bij haar man, die inmiddels is overleden, is mogelijk een onnodige hersenoperatie verricht. Professor Scheltens is een autoriteit op het gebied van neurologische aandoeningen, Parkinson en Alzheimer.

Bron: RTV Oost

Ten Cate Advocaten failliet

1 november 2011
Weegschaal in een rechtzaal

Ten Cate Advocaten failliet

Het Almelose advocatenkantoor Ten Cate Advocaten B.V. is op 1 november 2011 door de rechtbank Almelo failliet verklaard. Het faillissement is door het advocatenkantoor zelf aangevraagd. Ten Cate Advocaten was onder meer gespecialiseerd in de behandeling van letselschade. In hoeverre het betalingsgedrag van letselschadeverzekeraars heeft bijgedragen aan het faillissement is niet bekend gemaakt. Volgens directeur Yme Drost van Drost Letselschade, met vestigingen in Hengelo en Groningen, kan het geen toeval zijn dat de drie juridische dienstverleners die in de regio Twente failliet zijn gegaan, alle drie bekend stonden om de behandeling van letselschadezaken. Hun hoge debiteurenstanden, veroorzaakt door slecht betalende verzekeraars, waren een publiek geheim. Ook buiten Twente zijn daardoor bedrijven in de letselschadebranche failliet gegaan. Ook hebben bepaalde advocatenkantoren, om het vege lijf te redden, hun letselschadeportefeuille afgestoten, aldus Drost. Drost vindt het tijd worden dat tegen verzekeraars wordt opgetreden die met hun betalingsgedrag de letselschademarkt in negatieve zin beïnvloeden. Volgens Drost kan het niet zo zijn dat, door de betalingspolitiek van bepaalde verzekeraars, feitelijk de onafhankelijkheid van letselschadedienstverleners op het spel staat. Het is volgens Drost ook een publiek geheim, dat letselschadeadvocaten en –specialisten, die de letselschade van hun cliënten op een voor verzekeraars gunstige en/of snelle wijze afwikkelen, wel vlot betaald worden. Daarmee is echter in lang niet alle gevallen het belang van het slachtoffer gediend, aldus Drost. Kantoren die volgens de PIV-staffel werken, een door verzekeraars geïntroduceerd beloningssysteem waarbij de vergoeding van de kosten van rechtsbijstand wordt bepaald door de hoogte van de schade, hanteren een intern waarschuwingssysteem dat aangeeft als er ‘teveel’ uren (uren die niet door de aansprakelijke verzekeraar worden vergoed) aan een zaak worden besteed. “Niemand die mij wijsmaakt”, aldus Drost, “dat in alle gevallen waar de PIV-staffel wordt gehanteerd, de belangbehartiger tot het gaatje gaat als zijn uren uit de PIV-staffel lopen.” Het PIV-systeem wordt daarom door Drost Letselschade niet (meer) gehanteerd. Drost: “Er is maar één belang dat voor Drost Letselschade geldt en dat is het belang van het slachtoffer.”

 

Video: Veel fouten door neuroloog Jansen Steur

Film over de ex-neuroloog Jansen Steur die vele foutieve diagnose stelde. De film is gemaakt door RTV Oost en TC Tubantia.

  • Ik meld mij aan voor de Nieuwsbrief van Drost
    Aanmelden nieuwsbrief
  • Vul hier uw email adres in waar u onze nieuwbrief op wilt ontvangen