De deelgeschilprocedure is er om vertraging te voorkomen
Sinds 1 juli 2010 is er de wet deelgeschillen voor letsel- en overlijdensschade, kortweg ook wel de Wet Deelgeschillen genoemd. Deze wet biedt de mogelijkheid om deelgeschillen, die de afwikkeling van een letselschadezaak vertragen, kosteloos voor te leggen aan de rechter: meestal wordt de aansprakelijke partij veroordeeld in de volledige kosten van het deelgeschil.

Vragen over deelgeschilprocedure

Bij de afhandeling van letsel- en overlijdensschade komen vaak veel vragen aan de orde. Deze zullen allereerst moeten worden beantwoord alvorens de schadevergoeding kan worden vastgesteld. Als de betrokken partijen (verzekeraar, slachtoffer en zijn belangenbehartiger) over de beantwoording van die vragen van mening blijven verschillen, kan dat tot langdurige discussies leiden. Dat komt een vlotte afwikkeling van de letselschade of overlijdensschade niet ten goede en het slachtoffer is daar niet bij gebaat.

DeelgeschilDeelgeschil tegen vertraging

De Wet Deelgeschillen biedt uitkomst bij dit soort vertragingen. Partijen kunnen de rechter vragen om alleen over dat deelgeschil een uitspraak te doen. Op basis van de uitspraak van de rechter kunnen de partijen vervolgens zelf de onderhandelingen weer oppakken en de schade verder buiten de rechter om afwikkelen. Hierdoor kan de schade sneller in zijn geheel worden afgewikkeld.

Deelgeschilprocedure

Van een beslissing op het verzoek in een deelgeschilprocedure kunt u in beginsel niet in hoger beroep komen. Dat is bepaalt in artikel 1019bb Rv. Van deze hoofdregel kan op grond van artikel 1019cc lid 3 Rv in de bodemprocedure in een aantal gevallen worden afgeweken.

In zijn beschikking van 18 april 2014 (ECLI:NL:HR:2014:943) verduidelijkt de Hoge Raad wanneer het rechtsmiddelenverbod van art. 1019bb Rv. kan worden doorbroken. De Hoge Raad is van oordeel dat het wettelijk rechtsmiddelenverbod kan worden doorbroken op een van de in de rechtspraak ontwikkelde doorbrekingsgronden, te weten indien de rechter buiten het toepassingsgebied van de desbetreffende regeling is getreden, deze ten onrechte buiten toepassing heeft gelaten, dan wel bij de behandeling van de zaak een zodanig fundamenteel rechtsbeginsel heeft veronachtzaamd dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet kan worden gesproken. Dit ongeacht of een rechtsmiddel in de zin van art. 1019cc lid 3 Rv openstaat of zal openstaan.
Het middel slaagt.

Meer weten?

[contactblok]