Column van de maand – januari 2022

Maandelijks schrijft één van de letselschade-experts van Drost Letselschade een persoonlijke column over zaken en ervaringen rond de letselschadepraktijk. Deze maand een bijdrage van Adrie van Kampen, NIVRE Register-Expert Personenschade, getiteld: “PTSS en de Nationale Politie.”.

Adrie van KampenPTSS

Met enige regelmaat wordt Drost Letselschade benaderd door politiemedewerkers die vanwege een PTSS (Posttraumatische stressstoornis) volledig arbeidsongeschikt zijn geraakt. Deze politiemedewerkers lopen vast in een wirwar van regels en procedures.
Een politiemedewerker die geconfronteerd wordt met een PTSS, wordt niet van de ene op de andere dag wakker met het besef dat hij of zij een PTSS heeft. Voordat een medicus deze diagnose heeft gesteld, is er vaak al een langdurig en pijnlijk traject van vallen en opstaan gepasseerd. Sommige politiemedewerkers zijn nog geheel of gedeeltelijk werkzaam als deze diagnose wordt gesteld, terwijl anderen al volledig arbeidsongeschikt zijn. Veel voorkomende klachten bij een PTSS zijn slapeloosheid, herbeleving, angst en woede. Het gaat in de meeste gevallen om situaties, waarbij over een langere periode het emmertje vol is gelopen.

Erkenning beroepsziekte

De diagnose PTSS kan worden vastgesteld door de bedrijfsarts of door de eenheid, als er sprake is van actieve dienst. Als het dienstverband al is beëindigd kan de PTSS door de eigen huisarts, psycholoog, of psychiater worden gediagnosticeerd. Vervolgens is het raadzaam om een verwijzing te vragen naar het Psychotrauma Diagnose Centrum (PDC), waar ook een Politie Poli bestaat. Hierna vindt er een beoordeling plaats of de PTSS beroepsgerelateerd is. Het verzoek om erkenning verloopt via het Team Beroepsrisico. Vanuit dit team wordt er een casemanager aangesteld, die de politiemedewerker bijstaat in het verzoek om erkenning. Als hier sprake van is, dan volgt ook een officieel besluit van de Nationale Politie. Dit houdt in dat de PTSS als beroepsziekte wordt erkend.
Houd er rekening mee dat daarmee overigens niet is gezegd en geschreven dat de werkgever ook in juridische zin aansprakelijk is voor deze beroepsziekte.

Schade

Er zijn wel verschillende regelingen waarop een (ex-)politiemedewerker een beroep kan doen. De casemanager van het team beroepsrisico staat de politiemedewerker hierin bij. Mijn ervaring is dat dit niet altijd soepel verloopt. Het is de taak van de casemanager om de politiemedewerker te helpen bij de aanvragen voor de verschillende rechtspositionele regelingen, waaronder de doorbetaling van het loon tot op een bepaalde hoogte, de vergoeding voor medische kosten en de compensatie voor de immateriële schade oftewel het smartengeld (artikel 54 en 54a BARP).
De hoogte van het smartengeld wordt bepaald aan de hand van de beschikbare medische informatie. De politie schakelt daarvoor momenteel een extern expertisebureau in. Dit expertisebureau, Sedgwick, heeft medisch adviseurs in dienst die de mate van arbeidsongeschiktheid als gevolg van de PTSS beoordelen. Hierna volgt een besluit over de toekenning van de hoogte van het smartengeld.

Restschade

Naast de medische kosten en de gedeeltelijke aanvulling tot het oude loon, zijn er mogelijk tal van andere schadeposten waarmee een politiemedewerker met een PTSS wordt geconfronteerd. Zo is wellicht het onderhoud van het huis en de tuin een onmogelijke opgave geworden. Sommige politiemedewerkers met ernstige PTSS klachten kunnen niet meer op vakantie zoals zij dat vroeger deden. Sommigen zijn zelfs genoodzaakt te verhuizen naar een rustige omgeving. De kosten die hiermee verband houden, worden ook wel restschade genoemd. Over de restschadeposten wordt momenteel de meeste discussie gevoerd met de Nationale Politie.

Nieuw Stelsel

De Regeling volledige schadevergoeding bij beroepsincidenten politie vloeit voort uit art. 54a BARP en zou een volledige schadevergoeding voor de politiemedewerker moeten betekenen. De regeling is van toepassing vanaf 1/1/2019 en zij werkt terug vanaf 1/1/2017.
Op 29 juni 2021 schreef de toenmalig minister van Justitie een brief aan de Tweede Kamer, waarin uitleg werd gegeven over de transitie naar het nieuwe stelsel. De oude regeling voorziet in een vergoeding van het smartengeld tot een maximaal bedrag van ruim € 170.000. In de nieuwe regeling valt het bedrag voor de immateriële schade lager uit en wordt een deel van dit bedrag gebruikt om de resterende materiële schade (restschade) te compenseren.
De minister stelde in zijn brief dat een bedrag van ongeveer € 25.000 als vergoeding voor de immateriële schade maatschappelijk gebruikelijk zou zijn. Dat betekent dat een politiemedewerker die nu in discussie is met zijn werkgever over de vergoeding van de restschade, een sigaar uit eigen doos gepresenteerd krijgt. Mijn ervaring is dat in deze fase van de gesprekken en onderhandelingen een professionele belangenbehartiger van groot belang is. Zeker ook omdat in de transitie naar het nieuwe stelsel door de Nationale Politie de discussie over de aansprakelijkheid bij de beoordeling van de restschade keer op keer wordt aangezwengeld.