Een van de Kamerstukken die de Tweede Kamer vandaag ontving was een lijst met vragen en antwoorden inzake het RIVM-onderzoek naar de blootstelling aan chroom-6 en arbeidsomstandigheden op defensielocaties. Dit in antwoord op vragen die op 10 juni j.l. door de Kamer waren ingediend bij de vaste commissie voor Defensie.

Hierbij de antwoorden op schriftelijke (feitelijke) vragen over de beleidsreactie ‘RIVM-onderzoek naar blootstelling aan chroom-6 en arbeidsomstandigheden op defensielocaties’ (ingezonden 10 juni 2021):

1.  Om hoeveel niet-POMS locaties gaat het?

Er was geen volledige lijst van alle defensielocaties waar mogelijk is gewerkt met chroom-6 in de gehele periode 1970-2015 beschikbaar. Dit bleek binnen Defensie niet te achterhalen. In totaal zijn in het onderzoek door het RIVM 229 verschillende niet-POMS locaties geïdentificeerd waarvoor geldt dat mogelijk is gewerkt met chroom-6. Deze locaties werden genoemd in de online vragenlijsten die de medewerkers konden invullen voor het RIVM onderzoek. Dit betrof 35 locaties van de Koninklijke Luchtmacht (Klu), 156 locaties van de Koninklijke Landmacht (KL), 22 locaties van de Koninklijke Marine (KM), 14 locaties van de Defensie Materieel Organisatie (DMO) en twee locaties van de Koninklijke Marechaussee (KMar). In bijlage 7 van het rapport ‘Onderzoek naar blootstelling aan chroom-6 en arbeidsomstandigheden op Defensielocaties Periode 1970-2015’ (RIVM-rapport 2021-0066) is een overzicht van alle 229 locaties gegeven. Ook als een locatie niet is geïdentificeerd, kan een uitkering worden aangevraagd.

2.  Hoeveel (oud-) defensiemedewerkers hebben op dit moment ziekteverschijnselen die mogelijk door Chroom-6 of CARC komen schat u?

Op deze vraag is geen eenduidig antwoord te geven. Bekend is dat in de periode 1984 tot en met 2006 ongeveer 3000 mensen op de POMS-locaties hebben gewerkt. Hiervan hebben zich ruim 1000 oud-medewerkers (POMS) laten registreren bij het Informatiepunt chroom-6.

In totaal hebben 929 (oud-) medewerkers van Defensie (zowel oud-medewerkers van de Prepositioned Organizational Materiel Storage (POMS)-locaties als (oud-) medewerkers van andere defensielocaties) vanaf maart 2015 tot 31 mei 2021 een tegemoetkoming op basis van de ‘Tijdelijke regeling tegemoetkoming en ondersteuning slachtoffers blootstelling chroom VI houdende stoffen defensie’ (hierna: Coulanceregeling) aangevraagd. Hiervan is ongeveer éénderde een oud-medewerker van de POMS-locatie.

In 357 gevallen is een tegemoetkoming toegekend en zijn er 553 aanvragen afgewezen, op basis van het niet hebben vervuld van een functie uit de bijlage (167), het niet hebben van een klacht (62), het hebben van een andere klacht dan opgenomen in de regeling (291) of om een andere reden (33). Een aantal aanvragen is nog in afwachting van een gerechtelijke uitspraak.

De Coulanceregeling is in maart 2015 van kracht geworden en stond open voor (oud-) medewerkers van alle defensielocaties die hebben gewerkt in een functie die op de functielijst voorkwam. Met het verschijnen van het eerste rapport van het RIVM voor de POMS in juni 2018, stond de Coulanceregeling niet langer open voor medewerkers van de POMS en is de ‘Regeling uitkering chroom-6’ (hierna: Uitkeringsregeling) voor hen van kracht geworden. In totaal zijn 347 aanvragen voor de Uitkeringsregeling ingediend door oud-medewerkers van de POMS-locaties of hun nabestaanden. Hiervan zijn 201 aanvragen toegekend en zijn 146 afgewezen op grond van het niet voldoen aan de voorwaarden, voornamelijk met betrekking tot aandoening, functie of duur van de functievervulling.

Naar schatting hebben in de periode 1970 tot 2015 850.000 mensen bij Defensie gewerkt. Het is niet mogelijk om voor alle in het RIVM-rapport genoemde functies te achterhalen hoeveel mensen op deze locaties hebben gewerkt en hoeveel mensen werkzaamheden hebben uitgevoerd waarbij zij mogelijk kunnen zijn blootgesteld aan chroom-6.

Wel is bekend dat ruim 3200 (oud-) medewerkers van de andere defensielocaties (niet-POMS) zicht hebben laten registreren bij het informatiepunt chroom-6. Ongeveer tweederde van de aanvragen voor de Coulanceregeling zijn afkomstig van (oud-) medewerkers van de andere defensielocaties.

Ook is bekend dat ruim 300 (oud-) medewerkers van de andere defensielocaties (niet-POMS), in de online vragenlijst voor het RIVM-onderzoek hebben aangegeven een chroom-6 gerelateerde ziekte te hebben.

3.  Bent u actief oud-defensiepersoneel aan het benaderen waarvan u de kans groot acht dat ze actief met chroom-6 of CARC hebben gewerkt? Zo nee, waarom niet?

De (oud-) medewerkers die zich hebben geregistreerd bij het informatiepunt chroom-6 (www.informatiepuntchroom6.nl) zijn allemaal geïnformeerd over de uitkomsten van het RIVM onderzoek en de Uitkeringsregelingen en ze zijn uitgenodigd voor het bijwonen van webinars. Het is echter niet mogelijk alle oud-defensiepersoneel waarvan wordt aangenomen dat de kans groot is dat ze zijn blootgesteld aan chroom-6 persoonlijk te benaderen. Dit komt omdat niet bekend is welke mensen dit kan betreffen en tevens beschikt defensie niet over de contactgegevens van oud-medewerkers. Defensie en het RIVM hebben sinds 2014 oud-defensiemedewerkers actief betrokken bij het RIVM-onderzoek. Via verschillende kanalen is uitvoerig bekendheid gegeven aan het onderzoek, de resultaten en de Uitkeringsregeling. Dit gebeurt onder andere door het houden van informatiebijeenkomsten en ‘inloopkantines’, nieuwsbrieven, werkbezoeken en via www.informatiepuntchroom6.nl. In maart 2019 is via een enquête gevraagd om de ervaringen rondom de informatievoorziening. De verschillende informatiebronnen werden met een voldoende beoordeeld. De opmerkingen en aanbevelingen zijn gebruikt om de informatievoorziening verder te verbeteren. Voor het onderzoek door het RIVM voor alle defensielocaties zijn alle (oud-) medewerkers in gelegenheid gesteld deel te nemen aan het online-onderzoek. In totaal hebben 1566 (oud-) medewerkers de online vragenlijst ingevuld. Defensie en de bonden hebben alle (oud-) medewerkers opgeroepen zich te laten registreren bij het Informatiepunt en hebben zich ingezet om zo veel mogelijk (oud-) medewerkers te informeren en de gelegenheid te geven om mee te doen aan het onderzoek. Zo zijn oproepen gedaan in nieuwsbrieven, op intranet en op de websites, tijdens werkbezoeken en via een advertentie in alle regionale huis-aan-huisbladen. Ook hebben de bonden uitgebreid aandacht besteed aan dit onderzoek en hebben hun leden opgeroepen deel te nemen door de vragenlijst in te vullen. Daarnaast is een aantal belangenbehartigers actief op de vragenlijst gewezen, met het verzoek hun cliënten hiervan in kennis te stellen. Tijdens de (online) voorlichtingsbijeenkomsten die in de week van 31 mei jl. zijn gehouden, is de oproep gedaan een aanvraag in te dienen indien men meent aanspraak te kunnen maken op een uitkering. (Oud-) medewerkers die reeds een tegemoetkoming hebben ontvangen op grond van de Coulanceregeling en waarvan wordt verwacht dat die mogelijk in aanmerking komen voor een uitkering op grond van de Uitkeringsregeling ontvangen daarover bericht.

4.  Met welke andere gevaarlijke stoffen, waarnaar respondenten refereren, is er bij Defensie gewerkt ? Wordt daar nog steeds mee gewerkt?

In het RIVM-rapport 2018-0051 worden bepaalde chromaatverbindingen genoemd. Deze bevatten chroom-6 en zijn als zodanig in het onderzoek betrokken. In het RIVM-rapport 2018-0052 wordt ook een aantal stoffen, producten en verontreinigingen (zoals uitlaatgassen en lasrook) genoemd die uit gesprekken met oud-POMS-medewerkers naar voren kwamen. Deze stoffen zijn niet nader onderzocht, in de zin dat er geen ziektelijst, blootstellingsinschatting en risicobeoordeling is opgesteld voor deze stoffen. Wel zijn in het blootstellingsonderzoek op de POMS-locaties (IRASUU Eindrapport WP 4 Chroom VI POMS sites 2018-01-26) andere gevaarlijke stoffen geïnventariseerd, waarbij de werkzaamheden en functies zijn aangegeven die konden leiden tot blootstelling aan deze stoffen. Deze stoffen zijn niet nader onderzocht omdat er geen antwoord gegeven kan worden op de vraag of oud-POMS-medewerkers gezondheidsrisico’s hebben gelopen door blootstelling aan deze stoffen (zie bijlage bij Kamerstuk 35 570 X nr. 84 van 16 februari 2021). Defensie gebruikte en gebruikt nog steeds een groot aantal bedrijfsstoffen die als gevaarlijk worden gekenmerkt en in bepaalde gevallen als carcinogeen, mutageen en reprotoxisch (CMR) bij een groot en divers aantal werkzaamheden. De meeste stoffen worden gebruikt voor het onderhouden van de wapensystemen en de bedrijfsmiddelen en zijn vooral bedrijfsstoffen vergelijkbaar met de stoffen die ook civiele bedrijven gebruiken bij het onderhouden van voertuigen, vliegtuigen en schepen. Met deze bedrijfsstoffen wordt nog steeds gewerkt. Voor deze stoffen zijn artikelveiligheidsbladen beschikbaar waarop onder andere de waarschuwingen en de aanwijzingen voor de veiligheid staan vermeld. Te nemen veiligheidsmaatregelen zijn bekend gesteld bij het personeel en de leidinggevenden en de benodigde (persoonlijke) beschermingsmiddelen zijn beschikbaar. Om de blootstelling aan gevaarlijke stoffen te beheersen en te reduceren past Defensie de arbeidshygiënische strategie toe, zoals beschreven in mijn brief van 4 juli 2019 over toezeggingen over chroom-6 (Kamerstuk 35000 X Nr. 147) in volgorde van substitutie, technische maatregelen, organisatorische maatregelen en persoonlijke beschermingsmaatregelen. Het assortiment bedrijfsstoffen is door de jaren heen veranderd. Zo wordt de wetgeving voor gevaarlijke stoffen steeds strenger waardoor steeds meer stoffen als “zeer zorgwekkend” en/of CMR worden beschouwd. Ook de samenstelling van de bedrijfsstoffen verandert voortdurend, enerzijds door chemisch-technologische ontwikkelingen en anderzijds vanwege de Europese wetgeving voor arbeidsomstandigheden en milieu (waaronder REACH). De Defensie Materieel Organisatie heeft als taak continu onderzoek te doen naar de mogelijkheden tot het uitfaseren van primair de als carcinogeen (C) en mutageen (M) geclassificeerde stoffen. Deze inspanning wordt voortgezet. Waar gevaarlijke stoffen worden gebruikt of kunnen vrijkomen, gebeurt dit veilig. Personeel wordt hierin opgeleid en leidinggevenden dienen hier op toe te zien. Extern toezicht geschiedt door de Inspectie van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (I-SZW).

5.  Heeft u contact met bondgenoten over Chroom-6? Hoe is de situatie bij andere krijgsmachten als het gaat om het werken met gevaarlijke stoffen?

Nederland heeft het onderwerp chroom-6 in European Defence Agency (EDA)-verband ter sprake gebracht in haar regulier overleg met gevaarlijke stoffen specialisten van andere Europese ministeries van Defensie. Kennis, ervaringen en certificeringsonderzoeken worden uitgewisseld. Defensie heeft ook contact met bondgenoten en de industrie (waaronder vliegtuig¬fabrikanten) over het gebruik van met name chroom-6 dat vooral nog voorkomt in de (militaire) luchtvaart.

6.  Hoe staat het met maatregel 12, en wordt er nu wel gewerkt in de spuitcabines? Zo ja, wat voor mitigerende maatregelen worden er dan genomen waardoor de bedrijfsvoering niet ideaal is?

Groot onderhoud, waarbij een vliegtuig volledig moet worden gespoten, wordt uitbesteed aan de industrie. De spuitwerkzaamheden binnen Defensie blijven beperkt tot reparaties aan onderdelen van vliegtuigen. Hierbij is het soms ook noodzakelijk reparaties aan de hechtprimerlaag uit te voeren met chroom-6-houdende verf. Het spuiten van de chroom-6-houdende verf gebeurt alleen in daarvoor geschikte spuitcabines. Bij het uitvoeren van kleine plaatselijke reparaties aan de hechtprimerlaag kan chroom-6-houdende verf ook worden aangebracht door gebruik van stift, kwast of roller. Daarbij komt nauwelijks stof en/of spuitnevel met chroom-6 in de lucht vrij.

In alle gevallen waarin het gebruik van chroom-6-houdende verf nog noodzakelijk is, wordt gezorgd dat we met toepassing van technische en organisatorische maatregelen en door gebruik te maken van persoonlijke beschermingsmiddelen onder de grenswaarden voor blootstelling blijven. Als vervolg op het onderzoek door de interne arbodienst van Defensie, het Coördinatie en Expertisecentrum Arbeidsomstandigheden en Gezondheid (CEAG), in 2015/2016 (de zogenoemde quick scan) zijn de nieuwere spuitcabines van Logistiek Centrum Woensdrecht (LCW) en het Defensie Helikopter Commando (DHC) in Gilze-Rijen geschikt bevonden voor het spuiten van chroom-6-houdende verf evenals één van de twee spuitcabines op vliegbasis Volkel. De kwaliteit van de afzuiging van de cabine in Volkel leidt ertoe dat alleen kortdurende, kleinschalige spuitwerkzaamheden met chroom-6-houdende verf kunnen plaatsvinden, zoals ik u heb gemeld in antwoorden op Kamervragen van 27 september 2018 (met kenmerk 2018Z17003) en 28 september 2018 (met kenmerk 2018Z17142). De spuitcabine in Volkel wordt slechts sporadisch gebruikt voor spuitwerkzaamheden met chroom-6-houdende verf. In 2020 en 2021 is in deze cabine niet met chroom-6-houdende verf gespoten.

Voor de luchtmachtonderdelen waar de spuitcabine niet mag worden gebruikt voor het spuiten van chroom-6-houdende verf (Leeuwarden, Eindhoven en voor Maritiem Vliegkamp De Kooy) betekent het dat eventuele spuitwerkzaamheden met chroom-6-houdende verf moeten plaatsvinden in de geschikte spuitcabines van LCW, DHC en Volkel. Dit vraagt extra reistijd en planning.

Thans loopt het gunningstraject voor de vervanging van de niet geschikte spuitcabines. Nadat dit traject eerder is mislukt door het ontbreken van bedrijven die voldeden aan de eisen, vindt momenteel overleg plaats met bedrijven die wel kunnen voldoen aan de eisen.

7.  Hoe zijn de eerste ervaringen met de database gevaarlijke stoffen? Ziet u kansen om met een database ook andere defensieonderdelen veiliger en slimmer in te richten?

Defensie heeft een database waarin de gevaarlijke bedrijfsstoffen worden geregistreerd en gearchiveerd, inclusief de zogenoemde safety data sheets die de leveranciers aanleveren. DMO onderhoudt deze database en voorziet daarmee alle gebruikers van Defensie van de nodige informatie voor het veilig kunnen werken met gevaarlijke stoffen. In de database worden nieuwe internationale en nationale ontwikkelingen bijgehouden en verwerkt.

8.  Welk percentage van de medewerkers op alle defensielocaties was niet altijd voldoende beschermd tegen blootstelling aan chroom-6? En welk percentage wel?

Het RIVM geeft in paragraaf 5.3. van het rapport de aanwezigheid weer van de verschillende beheersmaatregelen en het gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen: “Over de hele periode 1970-2015 waren bij ongeveer de helft van de gerapporteerde functies geen technische of organisatorische beheersmaatregelen aanwezig om de blootstelling te verminderen. Ook ongeveer de helft van de (oud-) werknemers gebruikten persoonlijke beschermingsmiddelen bij het werk. Hierbij is geen onderscheid te maken tussen werkzaamheden waarbij het vereiste niveau van bescherming hoger of lager was. De mate van bescherming is bij alle defensieonderdelen toegenomen in de tijd.” Het gaat hierbij om verschillende maatregelen, van technische beheersmaatregelen, lokale afzuiging, ruimteventilatie, organisatorische beheersmaatregelen, afgescheiden werkruimten tot gebruik van persoonlijke bescherming. De percentages die in het RIVM-rapport zijn gegeven, zijn gebaseerd op de antwoorden die de (oud-) medewerkers zelf hebben gegeven in het online onderzoek. De percentages die in de verschillende grafieken zijn weergegeven, zijn de percentages van het aantal respondenten, met directe blootstelling per defensieonderdeel per decennium, die als antwoord gaven dat de betreffende beheersmaatregel en PBM’s werden toegepast bij hun werkzaamheden. Deze percentages zijn niet rechtstreeks te vertalen naar het gehele defensieonderdeel of naar Defensie als geheel. Er kan alleen de trend in worden gezien dat de toepassing van beheersmaatregelen en PBM’s in de loop van de onderzoeksperiode verbeterde.

9.  Welke beschermingsmiddelen waren beschikbaar voor medewerkers van Defensie?
11.  Welke beschermingsmiddelen zijn er in latere jaren nadat de mogelijk schadelijke effecten van chroom-6 houdende verf bekend werden aan defensiemedewerkers aangeboden bij het gebruik van alternatieve verfsystemen?
18.  Welk percentage van de medewerkers bij Defensie werkt sinds 2015 met beschermingsmiddelen?

Zie RIVM-rapport, paragraaf 5.3: “Er werden veel verschillende persoonlijke beschermingsmiddelen (PBM) gebruikt. Dit betrof onder meer adembescherming, huid- en oogbescherming en gehoorbescherming. Specifiek ter bescherming tegen verf en/of verfstof werden stofmasker (snuitje), halfgelaatsmasker, overall en handschoenen het vaakst genoemd. De beschikbaarheid en het gebruik namen toe tussen 1970 en 2015 op alle defensieonderdelen.” Inmiddels zijn al vele jaren persoonlijke beschermingsmiddelen beschikbaar voor het personeel: handschoenen tegen huidblootstelling, wegwerpoveralls om stof niet op kleding te krijgen en daardoor te verspreiden en diverse vormen van adembescherming. De adembescherming loopt uiteen van volgelaatsmaskers met onafhankelijke ademlucht voor schilders tot eenvoudige stofmaskers voor laag-energetische werkzaamheden.

In 2017 heeft Defensie aan de Auditdienst Rijk (ADR) gevraagd de beschikbaarheid van PBM’s te onderzoeken en daarover heeft de ADR in 2018 gerapporteerd (Kamerstuk 34 775 X nr. 126 van 4 juni 2018). Conclusie daarvan was dat de beschikbaarheid geen probleem was en dat het logistieke proces goed is georganiseerd. Daarbij heeft de ADR aanbevolen om voorlichting te geven over juist gebruik, keuren en onderhouden van PBM, leidinggevenden hierop te laten toezien en om in de RI&E aandacht te vragen voor PBM.
Wat betreft het logistieke proces, vanaf 2010 is het assortiment Persoonlijke Beschermingsmiddelen voor heel Defensie een verantwoordelijkheid van het Kleding- en Persoonsgebonden Uitrustingsbedrijf (KPU-bedrijf). Voor die tijd voorzag elk defensieonderdeel zelf in de benodigde middelen. In alle contracten sinds 2010 dient de contractant/leverancier een catalogus (keuze) beschikbaar te stellen met artikelen die bescherming biedt volgens geldende NEN-ISO normeringen. Daarnaast dient het assortiment te voldoen aan de stand der techniek en heeft de leverancier een helpdesk ingericht voor deskundig advies. Leidinggevenden en medewerkers kunnen via het systeem van DigiInkoop decentraal bestellen en middelen worden decentraal uitgeleverd.
De PBM’s zijn verdeeld over acht hoofdcategorieën:
1. Ademhalingsbescherming
2. Arm- en handbescherming
3. Veiligheidsbrillen
4. Been- en voetbescherming
5. Beschermende kleding
6. Gehoorbescherming
7. Hoofdbescherming
8. Oog- en gelaatbescherming.

10.  Waarom is gekozen voor een vaste lijst met ziektes en aandoeningen? Wie is verantwoordelijk voor de keuze van een vaste lijst met ziektes en aandoeningen?

Defensie baseert zich op de uitkomsten van de onderzoeken van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) naar de gezondheidsrisico’s van werken met chroom-6 op de Prepositioned Organizational Materiel Storage (POMS). Het RIVM is een internationaal erkend wetenschappelijk instituut dat beschikt over de noodzakelijke expertise voor het onderzoek voor Defensie. Voor het bepalen van hoe waarschijnlijk het is dat een ziekte kan worden veroorzaakt door blootstelling aan chroom-6, gebruikt het RIVM de standaard wetenschappelijke benadering. De ziekten werden ingedeeld in vier verschillende categorieën op basis van de mate van waarschijnlijkheid van een oorzakelijk verband met blootstelling aan chroom-6:
1 Chroom-6 kan de ziekte of nadelige gezondheidseffecten veroorzaken bij mensen. Er is voldoende bewijs uit studies bij mensen en ondersteunend bewijs uit dierstudies;
2 Chroom-6 wordt ervan verdacht deze ziekte te kunnen veroorzaken bij mensen. Er is (beperkt) bewijs uit studies bij mensen, eventueel ondersteund met (beperkt) bewijs uit dierstudies, dat blootstelling aan chroom-6 de ziekte of nadelige gezondheidseffecten kan veroorzaken;
3 Het is nog onvoldoende duidelijk of chroom-6 deze nadelige effecten en ziekten kan veroorzaken bij mensen. Er zijn enkele wetenschappelijke aanwijzingen dat blootstelling aan chroom-6 deze ziekte of nadelige gezondheidseffecten kan veroorzaken. Er is echter geen of onvoldoende wetenschappelijk bewijs om te kunnen stellen dat chroom-6 de ziekte of nadelige gezondheidseffecten kan veroorzaken bij mensen;
4 Er zijn geen of geen overtuigende aanwijzingen gevonden in de huidige wetenschappelijke studies bij mensen en dieren dat blootstelling aan chroom-6 de ziekte of nadelige gezondheidseffecten kan veroorzaken bij mensen.

Voor een nadere toelichting verwijs ik naar het rapport van het RIVM 2020-0019, ‘Nadelige gezondheidseffecten en ziekten veroorzaakt door chroom-6 Actualisatie van de wetenschappelijke literatuur en de risicobeoordeling voor strottenhoofdkanker bij de POMS-locaties’. Er is en wordt gewerkt op basis van internationaal gangbare wetenschappelijke standaarden en criteria, zoals de GSH richtlijnen (Globally Harmonised System of Classification and Labelling of Chemicals) en de beoordelingswijze voor carcinogene eigenschappen op orgaanniveau, die wordt gehanteerd door internationaal gerenommeerde kennisinstituten zoals ECHA, het IARC en US EPA. Niet alleen het RIVM, maar ook onafhankelijke experts hebben de indeling van de ziekten en de nadelige gezondheidseffecten in de eerder genoemde categorieën getoetst. Hierbij zijn gepubliceerde onderzoeken beoordeeld en is door de expertworkshops een weging uitgevoerd van de zwaarte van het bewijs in de verschillende studies. De indeling en hoe dit tot stand is gekomen, is vervolgens ook getoetst door een onafhankelijke klankbordgroep (de Inhoudelijke Klankbordgroep Chroom-6 in arbeidssituaties genoemd). In de klankbordgroep zitten artsen, advocaten en wetenschappers die zijn voorgedragen door zowel belangenbehartigers, Centrales van Overheidspersoneel, onderzoekers van de betrokken onderzoeksinstellingen als Defensie. Al deze expertbeoordelingen zijn meegenomen in het onderzoek. De samenstelling, beschrijving en werkwijze van de Klankbordgroep is te vinden op https://www.rivm.nl/chroom-6-en-carc/chroomonderzoek-defensie/chroom6-klankbordgroep.

Voor ziektes die op de ziektelijst van het RIVM staan, wordt door Defensie en de Centrales van Overheidspersoneel, op basis van de conclusies en aanbevelingen van de Paritaire Commissie, aangenomen dat er een causaal verband kan zijn met de blootstelling aan chroom-6.

De met de Centrales van Overheidspersoneel afgesproken collectieve Regeling uitkering chroom-6 Defensie (Uitkeringsregeling) is gebaseerd op de resultaten van het onderzoek door het RIVM. Van belang is dat in die regeling niet alleen ziektes en aandoeningen zijn opgenomen waarvoor voldoende wetenschappelijk bewijs is dat chroom-6 deze mede kan veroorzaken. Ook de ziektes en aandoeningen zijn opgenomen waarvoor enkel een verdenking is dat deze kan ontstaan als gevolg van chroom-6-blootstelling, zie categorie 2 hierboven.
Op basis van de kennis uit de wetenschappelijke literatuur en uit evaluaties van (inter)nationale instanties en officiële organen gepubliceerd vóór juni 2016 zijn ziekten en nadelige gezondheidseffecten ingedeeld naar waarschijnlijkheid voor een oorzakelijk verband met blootstelling aan chroom-6-verbindingen. In 2018 heeft het RIVM het rapport ‘Nadelige gezondheidseffecten en ziekten veroorzaakt door chroom-6’ (RIVM-rapport 2018-0166) gepubliceerd. In 2019 is een actualisatie uitgevoerd (RIVM-rapport 2020-0019). Deze actualisatie is gebaseerd op de wetenschappelijke literatuur die is gepubliceerd tussen juni 2016 en januari 2019. Met het RIVM is afgesproken dat het RIVM de wetenschappelijke ontwikkelingen op dit gebied zal blijven volgen en periodiek een actualisatie zal uitvoeren en hierover zal rapporteren aan Defensie. De actualisatie over de periode januari 2019 tot januari 2021 is thans gaande en het streven is dat dit onderzoek in de zomer zal zijn voltooid. Met de bonden is overeengekomen dat indien deze actualisatie leidt tot een wijziging van de lijst met ziektes en aandoeningen die kunnen worden veroorzaakt door chroom-6 op de werkplek, of daarvan worden verdacht, met de bonden in overleg zal worden getreden over aanpassing van de Uitkeringsregeling.

12.  Kunt u een overzicht geven van de beschikbare beschermingsmiddelen in respectievelijk de jaren ’70 en ’80, de jaren ’90 en na het jaar 2000?

Uit het RIVM-onderzoek is gebleken dat veel verschillende persoonlijke beschermingsmiddelen (PBM) werden gebruikt. Dit betrof onder meer adembescherming, huid- en oogbescherming en gehoorbescherming. Specifiek ter bescherming tegen verf en/of verfstof werden stofmasker, halfgelaatsmasker, overall en handschoenen het vaakst genoemd. In paragraaf 5.3 van het RIVM-rapport (vanaf pagina 50) zijn overzichten weergegeven van de aanwezigheid van technische beheersmaatregelen (onder andere lokale afzuiging en ruimteventilatie), van organisatorische beheersmaatregelen (onder andere afscheiding van werkruimten) en van persoonlijke beschermingsmiddelen (onder andere stofmasker en gelaatsmasker) per defensieonderdeel in de verschillende decennia. Hieruit blijkt dat beschikbaarheid en gebruik toenam tussen 1970 en 2015 bij alle defensieonderdelen.

13.  Waar lag de verantwoordelijkheid voor de arbeidsomstandigheden en het toezicht daarop respectievelijk in de jaren ’70 en ’80, de jaren ’90 en na 2000?

De Arbeidsomstandighedenwet is in 1984 van kracht geworden en werd vanaf 1994 ook voor Defensie van toepassing. De expliciete rol van het werkgeverschap, voor Defensie zoals bedoeld in de Arbowet was tot de jaren ’90 minder duidelijk belegd. Daarna werd de Arbodienstverlening bij Defensie georganiseerd en nam de kennis en de ondersteunende expertise toe. Daarbij goed te beseffen dat de defensieorganisatie de afgelopen jaren sterk is veranderd en daarmee ook de verdeling van verantwoordelijkheden. In de jaren ‘70 lag de verantwoordelijkheid volledig bij de relatief zelfstandige bevelhebbers die beschikten over eigen ondersteuning. In de huidige situatie zijn de commandanten van de defensieonderdelen en van de eenheden voor goede arbeidsomstandigheden veel meer afhankelijk van andere, ondersteunende organisatie-elementen van Defensie. Met het vaststellen van de Minsteriele Publicatie 12-100 (het Veiligheidsmanagementsysteem Defensie) in 2010, inmiddels vervangen door een SG-Aanwijzing 007 werd de verantwoordelijkheid van het werkgeverschap belegd bij de commandanten van de zelfstandige eenheden (bataljon, schip, vliegbasis, bedrijf, etc.). Deze commandanten zijn als decentrale werkgever ook verantwoordelijk voor het voldoen aan de Arbowet, voor het geven van leiding aan en het toezien op het veilig en gezond werken. Vanuit die verantwoordelijkheid hebben zij ook de bevoegdheid om te stoppen met de werkzaamheden indien dit niet verantwoord kan. Het formele toezicht wordt uitgevoerd door de interne toezichthouders van Defensie en de Rijksinspecties zoals I-SZW en de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT). In 2018 heeft Defensie de Inspectie Veiligheid Defensie opgericht om het toezicht op het beleid en de uitvoering met de blik van veiligheid te versterken. Zie ook het antwoord op vraag 22.

14.  Waar en bij wie ligt de verantwoordelijkheid voor de arbeidsvoorwaarden vanaf 2010?

De verantwoordelijkheid voor de arbeidsvoorwaarden van het defensiepersoneel ligt bij de minister of de staatssecretaris van Defensie, afhankelijk van de portefeuilleverdeling. En zoals vastgelegd in de Wet ambtenaren Defensie, artikel 12, onder p, wordt daarover met de daarvoor in aanmerking komende vakorganisaties van overheidspersoneel overleg gepleegd waarbij in dat overleg overeenstemming dient te worden bereikt.

15.  Waarom leidt de verwachte actualisatie (en mogelijke) wijziging van de lijst met ziektes en aandoeningen die kunnen worden veroorzaakt door chroom-6 op de werkplek, of daarvan worden verdacht, niet automatisch tot aanpassing van de Uitkeringsregeling?

Een essentiële stap tussen het opstellen van een actuele lijst met mogelijke ziektes en aandoeningen (gezondheidseffecten) en de uitkeringsregeling, is de risicobeoordeling, waarbij wordt beoordeeld of het aannemelijk is dat in de werksituatie bij Defensie de blootstelling aan chroom-6 ook werkelijk tot een gezondheidseffect heeft kunnen leiden. Uit de daarop volgende risicobeoordeling door het RIVM moet blijken of het aannemelijk is dat chroom-6 deze ziekte of aandoening kan veroorzaken of daarvan verdacht wordt in de werksituatie bij Defensie. Indien dat het geval is zal de lijst met ziektes en aandoeningen van de Uitkeringsregeling worden aangepast. Bij de actualisatie in 2020 is dit het geval geweest voor strottenhoofdkanker (RIVM-rapport 2020-0019). Indien dit bij volgende actualisaties weer aan de hand is, kan dit met de kennis over de werksituatie bij Defensie voortvarend worden uitgevoerd. De Uitkeringsregeling is een rechtspositionele regeling die binnen het Sector Overleg Defensie met de bonden is vastgesteld. Over wijzigingen van de lijst met ziektes en aandoeningen in de regeling moet in dit overleg overeenstemming worden bereikt. Dit kan in de praktijk snel geschieden, in het verleden is het overleg hierover snel en constructief verlopen.

16.  Welke houding zal er vanuit Defensie worden aangenomen indien (oud-) medewerkers of nabestaanden een letselschadeclaim indienen bij Defensie?

Via de Coulanceregeling en de Uitkeringsregeling is een mogelijkheid gecreëerd om op laagdrempelige en eenvoudige wijze een vergoeding te kunnen krijgen. De uitkering op grond van de Uitkeringsregeling bestaat uit een: (1) immaterieel deel, dat vergelijkbaar is met smartengeld dit varieert van € 5.000,– tot € 40.000,–, en uit een (2) materieel deel, dat vergelijkbaar is met kostenvergoeding. Dit bedrag is € 3.850,- en is een vast bedrag voor iedereen die ook in aanmerking komt voor het immaterieel deel van de uitkering. De bedragen worden sinds 2018 geïndexeerd. Daarnaast heb ik een voorziening voor bijzondere, schrijnende gevallen opgenomen (art. 12, derde lid, van de Uitkeringsregeling). Dit artikel wordt in individuele gevallen toegepast, dit is maatwerk. Een voorbeeld is de aanschaf van een noodzakelijke traplift in het geval dat betrokkene geen recht heeft op vergoeding vanuit een verzekering of vanuit de gemeente.

Bij de Uitkeringsregeling wordt niet gekeken naar de specifieke situatie van de aanvrager, het is een regeling die is gebaseerd op groepsonderzoek. Daarom dat naast deze Uitkeringsregeling altijd een letsel- of overlijdensschadeclaim kan worden ingediend waarbij de situatie op individuele basis wordt beoordeeld. In mijn brieven aan uw Kamer van 5 maart 2019 (Kamerstuk 35 000 X, nr. 105) en 15 mei 2020 informeerde ik u hierover. Bij de claim kan worden beoordeeld of er meer immateriële schade (smartengeld) of materiële schade is die moet worden vergoed. Ik heb daarbij aangegeven dat letselschadezaken doorgaans veel tijd in beslag nemen. Vooral ook de beoordeling van beroepsziektezaken is ingewikkeld. Dat is voor Defensie helaas niet anders. De grondhouding van Defensie is daarbij positief en Defensie spant zich in de claims zo voortvarend mogelijk op te pakken. Voor de ziektes, die zijn opgenomen in de Uitkeringsregeling, geldt dat Defensie ook in de beoordeling van de claim aanneemt dat deze door de blootstelling aan chroom-6 bij Defensie kunnen zijn ontstaan. Deze beoordeling kan echter pas worden voltooid nadat duidelijkheid bestaat over de medische situatie en over de schadeposten. Het verzamelen en beoordelen van die informatie kost de nodige tijd. Daarbij is Defensie vaak ook afhankelijk van de informatievoorziening door (de belangenbehartiger van) betrokkene. De beoordeling is maatwerk en geschiedt op individuele basis om recht te doen aan de specifieke omstandigheden van iedere (oud-) medewerker.

Om de schaderegeling zo soepel mogelijk te laten verlopen, volgt Defensie bij de beoordeling de richtlijnen van de Letselschaderaad. Deze richtlijnen voorzien in een standaard manier om schadeposten vast te stellen met bijvoorbeeld normbedragen voor huishoudelijke hulp en kilometervergoeding. Ook de met het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: SZW) tot stand gekomen Leidraad Afwikkeling Beroepsziektezaken wordt waar mogelijk gehanteerd. Hiermee wordt onnodige discussie zoveel mogelijk voorkomen, zaken kunnen sneller worden afgewikkeld en de schaderegeling is zo transparant als mogelijk. Verder wijs ik op de brief van de minister van Defensie van 15 mei jl. aan de Veteranenombudsman (Kamerstuk 30 139, nr 242) betreffende het onderzoek behandelingsduur verzoeken volledige schadevergoeding. Daarin wordt aangegeven dat wordt geprobeerd om in alle zaken pro-actiever,
duidelijker en transparanter op te treden en te communiceren richting (de
belangenbehartigers van) de veteranen. Dit wordt echter ook doorgevoerd bij alle letselschadeclaims. Het doel hiervan is om in alle zaken de doorlooptijden te verkorten en om het schaderegelingsproces beter te laten aansluiten bij het rechtvaardigheidsgevoel.

Daarnaast is door de onderzoeken die zijn verricht door het RIVM al veel informatie beschikbaar gekomen over de arbeidsomstandigheden en de ziektes die in verband kunnen worden gebracht met de blootstelling aan chroom-6. Voor die ziektes, die zijn opgenomen in de Uitkeringsregeling, geldt dat Defensie ook in de beoordeling van de claim aanneemt dat deze door de blootstelling aan chroom-6 bij Defensie kunnen zijn ontstaan.

Voorts is het zo dat een (oud-) medewerker of nabestaande die een uitkering heeft ontvangen op grond van de Uitkeringsregeling en een claim indient, daarvoor kosten maakt.

In dit kader heb ik toegezegd dat het toerekeningspercentage niet wordt toegepast op de redelijke buitengerechtelijke kosten van de belangenbehartiger als Defensie aansprakelijkheid erkent. Deze kosten worden dan volledig vergoed (Kamerstuk 35 000 X nr. 105 van 5 maart 2019).

Voorts heb ik toegezegd dat Defensie deze kosten zal vergoeden ook in de periode vóórdat aansprakelijkheid wordt erkend. Dit betekent dat de redelijke buitengerechtelijke kosten van de belangenbehartiger en de kosten voor het opvragen van medische informatie kunnen worden betaald door Defensie, als die claim is ingediend voor de aandoening waarvoor de uitkering is toegekend. Mocht de aansprakelijkheid worden afgewezen, dan worden deze kosten niet meer vergoed, maar hoeft de eerder verstrekte vergoeding niet te worden terugbetaald aan Defensie. Op deze manier wil Defensie de mogelijke drempel voor het indienen van een claim voor de (oud-) medewerker of diens nabestaande verlagen.

Relevant is hiernaast dat uw kamer onlangs door SZW is geïnformeerd over de voortgang uitvoering kabinetsreactie commissie Vergemakkelijking Schadeafhandeling Beroepsziekten (commissie Heerts). Er wordt een landelijk expertisecentrum opgericht voor gevaarlijke stoffen en beroepsziekten en daarnaast wordt een tegemoetkomingsregeling geïntroduceerd te introduceren voor (ex-)werkenden die lijden aan een ernstige ziekte die is ontstaan door de gevaarlijke stoffen waarmee zij werken of hebben gewerkt. Met de tegemoetkomingsregeling ontstaat voor deze groep slachtoffers een korte en snelle route naar erkenning van hun beroepsziekte. Defensie zal met de vakbonden in overleg gaan over wijziging van de Uitkeringsregeling als gevolg van het in werking treden van deze tegemoetkomingsregeling.

17.  Hebben alle leden van het beoordelingspanel een gelijkwaardige stem?

Het doel van het beoordelingspanel (voor situaties voor 2015) is om in voorkomende situaties op een snelle manier een advies te kunnen geven aangaande de indeling van feitelijke werkzaamheden van de werknemer in een bepaalde blootstellingsgroep. Het beoordelingspanel bestaat uit drie leden, waaronder een voorzitter. Van de leden wordt één aangedragen door de Centrales van Overheidspersoneel en één door Defensie. Het beoordelingspanel adviseert met meerderheid van stemmen waarbij elk lid een gelijkwaardige stem heeft.

19.  Hebben de leden van het beoordelingspanel voor gevallen vanaf 2015 een gelijke stem? Hoe vindt besluitvorming in het beoordelingspanel plaats?

Dit beoordelingspanel (voor situaties na 2015) bestaat uit vijf leden, waaronder een voorzitter. Dit beoordelingspanel adviseert over de blootstellingsgeschiedenis van de werknemer én over de vraag of het niet toekennen van een vergoeding zal leiden tot een onbillijke situatie. Dit panel bestaat uit het beoordelingspanel, zoals bedoeld onder vraag 17 aangevuld met een lid namens de Centrales van Overheidspersoneel en een lid namens Defensie. Dit panel is uitgebreider aangezien naast de vraag over de blootstellingsgeschiedenis ook de vraag moet worden beantwoord of het niet toekennen zal leiden tot een onbillijke situatie. Voor het kunnen beantwoorden van deze vraag is andere kennis en achtergrond nodig. Het beoordelingspanel adviseert met meerderheid van stemmen waarbij elk lid een gelijkwaardige stem heeft. De beoordeling wordt mede gedaan aan de hand van de RIVM-rapporten en aanvullende gegevens verstrekt door de aanvrager of diens gemachtigde en Defensie. Het beoordelingspanel is bevoegd om voor de uitoefening van haar taak deskundigen te raadplegen.

20.  Zijn en waren er voldoende beschermingsmiddelen beschikbaar voor medewerkers die werken met Chroom-6?

Zie de antwoorden op de vragen 8, 9, 11 en 18.

21.  Is er toezicht op het gebruik van de juiste persoonlijke beschermingsmiddelen, zoals adembescherming, wegwerp-overalls en handschoenen die op afroep beschikbaar zijn voor elke medewerker? Wie is verantwoordelijk voor het gebruik van de persoonlijke beschermingsmiddelen?

Commandanten van de eenheden en de feitelijk leidinggevenden op de werkvloer zijn primair verantwoordelijk voor het toezien op de juiste taakuitvoering en dus ook op het toepassen van de veiligheidsmaatregelen. Het gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen is één van die maatregelen, omdat dit afhankelijk is van menselijk handelen en omdat toezicht niet onfeilbaar is, willen we maatregelen hoger op de arbeidshygiënische strategie treffen. Deze PBM’s worden op basis van centraal door DMO afgesloten contracten afgeroepen en geleverd. Extern toezicht geschiedt door I-SZW.

22.  Wie is verantwoordelijk voor de concrete uitvoering van de risicobeheersing én het uitvoeren van de aanvullende maatregelen volgens het S-T-O-P-principe? Ligt die verantwoordelijkheid bij de commandanten?

Commandanten van de defensieonderdelen en van de uitvoerende eenheden zijn verantwoordelijk voor het veilig en gezond werken. Defensie heeft de verplichtingen van de werkgever zoals beschreven in de Arbowet, belegd bij de commandanten met de rol van decentraal werkgever (hoofd diensteenheid). Dit staat beschreven in een SG Aanwijzing. Zie ook het antwoord op vraag 13. Deze commandanten worden ook aangeschreven door I-SZW voor handhavingsbezoeken, zoals is gebeurd voor de Commandant Afdeling Techniek in Leusden, de commandant Logistiek Centrum Woensdrecht en de Directeur Maritieme Techniek in Den Helder. De brieven van I-SZW aan deze commandanten zijn gepubliceerd op de website defensie.nl. De commandanten worden bij de uitvoering van de risicobeheersing en bij het voldoen aan de wetgeving ondersteund door gecentraliseerde organisatie-elementen zoals de DMO en het Defensie Ondersteuningscommando (DOSCO). Dit betreft onder andere de inspanning om gevaarlijke stoffen te vervangen, de Nadere Inventarisatie Gevaarlijke Stoffen en het Preventief medisch Onderzoek.

DE STAATSSECRETARIS VAN DEFENSIE,

Drs. B. Visser

BRON: TweedeKamer.nl

Deze brief zal in de Tweede Kamer aan de orde komen in een plenair debat dat gepland staat voor woensdag 30 juni 2021. Het debat over chroom-6 kan men later alsnog terugzien via Debat Gemist.