Ex-bestuursvoorzitter MST berispt

Het Centraal Medisch Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg deed vandaag om 13.00 uur uitspraak in de zaken tegen een voormalig inspecteur van de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) en drie voormalige bestuurders van het Medisch Spectrum Twente (MST) te Enschede. De vier stonden in hoger beroep terecht omdat zij niet adequaat zouden hebben gereageerd in de kwestie rond de ex-neuroloog Jansen Steur. De beslissingen werden uitgesproken in het Paleis van Justitie te Den Haag. Letselschade-expert Yme Drost stond in de tuchtzaak vijf slachtoffers van Jansen Steur bij. Jansen Steur werd door de strafrechter in Almelo veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie jaren wegens onder meer het onjuist stellen van meerdere diagnoses, verduistering van gelden en valsheid in geschrifte.

Uitspraken Centraal Medisch Tuchtcollege

De klacht tegen een voormalig inspecteur van de IGZ is niet-ontvankelijk verklaard, de eerdere veroordeling van het Regionaal Tuchtcollege (een waarschuwing) is daarom vernietigd. De vrijspraken in de zaken tegen Zijlstra en Kingma blijven gehandhaafd. De klachten die in hoger beroep zijn geformuleerd tegen de eerdere uitspraak van het Regionaal Tuchtcollege in de zaak tegen voormalig voorzitter en ziekenhuisbestuurder van het MST, Ruud Ramaker, zijn grotendeels gegrond verklaard. De berisping die Ramaker in eerste aanleg kreeg opgelegd blijft in hoger beroep in stand.

Een tuchtrechtelijke veroordeling, zoals hier aan de orde, van een ziekenhuisbestuurder voor het door hem gevoerde bestuurlijke beleid is uniek in de medische tuchtrechtspraak.

Het beroep van de hoofdinspecteur van de IGZ tegen de ontvankelijkverklaring van klagers in hun klachten tegen voormalige bestuurders van het MST, is door het Centraal Tuchtcollege verworpen. Het Centraal Tuchtcollege is van oordeel dat de voormalige bestuurders van het MST wel degelijk onder het bereik van het medisch tuchtrecht vallen.

Centraal Tuchtcollege acht meer klachten tegen Ramaker gegrond

Het Centraal Tuchtcollege oordeelt in haar uitspraak van vandaag dat de verpleegkundige Ramaker, voormalig voorzitter van de Raad van Bestuur van het MST, meer kan worden verweten dan door het Regionaal Tuchtcollege in Zwolle werd aangenomen. Ondanks de zwaardere verwijten die Ramaker door het Centraal Tuchtcollege worden gemaakt, is het Centraal Tuchtcollege van oordeel dat de eerder opgelegde maatregel van berisping passend is.

Het Centraal Tuchtcollege overweegt in haar uitspraak van vandaag:
“(…) Echter, als uitgangspunt kan in deze zaak worden genomen dat ook voor de verpleegkundige op grond van zijn deskundigheid als zodanig duidelijk moest zijn dat in het algemeen verslaving van een arts grote risico’s voor zijn patiënten meebrengt. Op grond daarvan had de verpleegkundige in zijn functie van verantwoordelijk lid en voorzitter van de Raad van Bestuur aanzienlijk adequater dienen op te treden. Hij kon niet volstaan met, wat is gebeurd, het aansturen op en uiteindelijk realiseren van een vrijwillig vertrek van de neuroloog, hoezeer een dergelijk vertrek destijds ook gebruikelijk was, zoals het Regionaal Tuchtcollege heeft overwogen. Hij had een grondig onderzoek moeten starten naar het disfunctioneren van de neuroloog en de (mogelijke) nadelige gevolgen daarvan voor de gezondheid van diens patiënten. Daarom kon hij evenmin volstaan met zijn opdracht aan de vakgroep neurologie om de praktijk van de neuroloog waar te nemen, notities bij te houden over niet correcte diagnoses, maar voorlopig geen actie daarmee te ondernemen en geen informatie naar buiten toe te verstrekken over de toen voorliggende situatie. Die opdracht was zelf al niet voldoende adequaat in de gegeven omstandigheden omdat zij niet mede omvatte de verplichting voor de vakgroep als geheel en ieder van de individuele neurologen de genoemde notities bij te houden en daarover telkens zo snel mogelijk aan de Raad van Bestuur te rapporteren.

Het van de verpleegkundige te verwachten alerte optreden zou bij deze stand van zaken in ieder geval hebben meegebracht dat hij erop zou hebben toegezien niet alleen dat zijn opdracht aan de vakgroep om notities bij te houden over niet correcte diagnoses van de neuroloog correct en adequaat zou zijn uitgevoerd door alle neurologen, maar ook dat hij ervoor zou hebben zorg gedragen, bijvoorbeeld door geregeld navraag te doen en zo de vinger aan de pols te houden, dat de vakgroep de Raad van Bestuur goed op de hoogte zou hebben gehouden over de aard en het aantal van foutieve diagnoses, om te voorkomen dat de Raad van Bestuur verstoken zou blijven van de informatie met betrekking tot de risico’s die de patiënten van de neuroloog liepen of zouden lopen. Die informatie was immers onontbeerlijk voor het nemen van verdere actie – te beginnen met het in gang zetten van dossieronderzoek – door de Raad van Bestuur om die risico’s zo snel mogelijk in kaart te brengen en maatregelen te treffen met het oog op een verzekering van adequate gezondheidszorg ten behoeve van de getroffen patiënten. Het lag zonder meer op het deskundigheidsgebied van de verpleegkundige om voor een en ander zorg te dragen, juist om ter wille van een adequaat optreden als voorzitter van de Raad van Bestuur van de deskundigen ter zake de informatie en zo nodig ook advies te verkrijgen waarover hij zelf niet op grond van eigen positie en deskundigheid kon beschikken. De verpleegkundige heeft dit alles niet gedaan.

Aldus is ten aanzien van de hier aan de orde zijnde situaties de verpleegkundige, gegeven zijn positie van bestuurder van het ziekenhuis, tuchtrechtelijk verwijtbaar in gebreke gebleven al datgene ten aanzien van het uit te voeren onderzoek te doen wat van hem op grond van zijn deskundigheid als verpleegkundige in het belang van een goede uitoefening van gezondheidszorg verwacht mocht worden.

In zoverre zijn dus, anders dan het Regionaal Tuchtcollege heeft geoordeeld, de klachtonderdelen (a) en (b) gegrond, zodat de grieven 5 en 6 slagen. In grief 7 wordt geklaagd dat het Regionaal Tuchtcollege een aantal in de grief genoemde feiten en omstandigheden ten onrechte niet bij zijn beoordeling van die klachtonderdelen zou hebben betrokken. Nu deze gegrond zijn hoeft op die feiten en omstandigheden niet te worden ingegaan.

De gegrondbevinding van de klachtonderdelen (a) en (b), naast de gegrondverklaring in eerste aanleg van klachtonderdeel (d), geeft het Centraal Tuchtcollege geen aanleiding tot het opleggen van een zwaardere maatregel dan de in eerste aanleg opgelegde berisping.”

Centraal Tuchtcollege maakt Zijlstra zware verwijten

Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg is van oordeel dat het Zijlstra, op grond van zijn deskundigheid als arts, duidelijk moest zijn dat in het algemeen verslaving van een arts grote risico’s voor zijn patiënten met zich meebrengt. Op grond daarvan diende Zijlstra, in zijn functie als lid van de Raad van Bestuur van het MST, adequaat op te treden. Dat mocht te meer van hem verwacht worden naar aanleiding van het incident rond de door de neuroloog weggenomen Dormicum.

Zijlstra kon daarom, volgens het Centraal Tuchtcollege, niet volstaan met een schorsing van Jansen Steur en het aansturen op diens vrijwillig vertrek. Zijlstra had, aldus het Centraal Tuchtcollege, ook intern een onderzoek moeten (laten) starten naar het disfunctioneren van Jansen Steur en de (mogelijke) nadelige gevolgen daarvan voor de gezondheid van diens patiënten. Zijlstra was volgens het Centraal Tuchtcollege door het optreden van Ramaker niet ontslagen van zijn – ook tuchtrechtelijke – verantwoordelijkheid voor de gebreken ten aanzien van het instellen van een grondig onderzoek, een adequate inhoud en strekking van de onderzoeksopdracht en van een doeltreffende voortgangscontrole en tijdige rapportage aan de Raad van Bestuur. Het Centraal Tuchtcollege acht evenwel, in tegenstelling tot Ramaker, Zijlstra tuchtrechtelijk niet aansprakelijk, omdat Ramaker in december 2003 een leidende rol op zich had genomen en Zijlstra begin april 2004 was gestopt met zijn werk in het ziekenhuis.

Letselschade-expert Drost respecteert het oordeel van het Centraal Tuchtcollege, maar is teleurgesteld in het feit dat aan de door het Centraal Tuchtcollege aan Zijlstra gemaakte, volgens Drost toch ernstige, verwijten, tuchtrechtelijk geen consequenties zijn verbonden. “Zijlstra is tuchtrechtelijk langs het randje gegaan, maar de erkenning van zijn foute handelwijze door het Centraal Tuchtcollege is toch een steun in de rug voor de slachtoffers”, zegt Drost.

Kingma vrijuit

Het Centraal Tuchtcollege oordeelt, net als eerder het regionaal tuchtcollege, dat voormalig bestuursvoorzitter Herre Kingma tuchtrechtelijk geen verwijt kan worden gemaakt. Kingma verweerde zich in beide instanties door te stellen dat hij vóór 2009 niet op de hoogte was van de kwestie Jansen Steur. Hij ontkende meerdere berichten daarover in de media gelezen te hebben. Alhoewel een hoofdinspecteur van de IGZ onder ede verklaarde meerdere malen met Kingma over de kwestie Jansen Steur te hebben gesproken, ook naar aanleiding van berichten in de media, krijgt Kingma kennelijk het voordeel van de twijfel van het tuchtcollege, aldus Drost.

Klachten tegen inspecteur IGZ niet-ontvankelijk

Het Centraal Tuchtcollege is, in tegenstelling tot het eerdere oordeel van het regionaal tuchtcollege, van oordeel dat het handelen van een inspecteur van de IGZ tuchtrechtelijk niet getoetst kan worden. Het Centraal Tuchtcollege overweegt:

“De klachten richten zich tegen gedragingen van de arts in diens hoedanigheid van hoofdinspecteur voor de gezondheidszorg. Terecht heeft het Regionaal Tuchtcollege aan zijn oordeel ten grondslag gelegd dat naar vaste rechtspraak van de tuchtrechter het feit dat een in het BIG-register ingeschreven arts mede in andere hoedanigheid, zoals bestuurder van een zorg verlenende instelling, optreedt, in beginsel niet uitsluit dat de arts daarbij mede in zijn hoedanigheid van arts handelt en daarop tuchtrechtelijk kan worden aangesproken, met name op grond van art. 47 lid 1, aanhef en onder b, Wet BIG (de tweede tuchtnorm), indien dit optreden voldoende weerslag heeft op de individuele gezondheidszorg.

Op zichzelf is, zoals het Regionaal Tuchtcollege heeft geoordeeld, denkbaar dat het voorgaande eveneens van toepassing is ten aanzien van het optreden van een inspecteur voor de gezondheidszorg (een hoofdinspecteur daaronder begrepen) die tevens staat ingeschreven in het BIG-register als arts (of een van de andere in art. 47 lid 2 Wet BIG genoemde hoedanigheden). De vraag rijst echter of dit valt te verenigen met de bijzondere wettelijke taken en bevoegdheden die de Inspectie en haar inspecteurs hebben ten aanzien van de handhaving van onder meer de wettelijke beroeps- en tuchtnormen en de rol die de Inspectie en haar inspecteurs in dat verband vervullen, dus ook in het tuchtrecht en het tuchtproces. Te noemen vallen in dit verband in het bijzonder:

– art. 36 lid 1, aanhef en onder b, Gezondheidswet, op grond waarvan de Inspectie, voor zover haar inspecteurs daarmee bij of krachtens wettelijk voorschrift zijn belast, als taak heeft het toezicht op de naleving en de opsporing van overtredingen van het bepaalde bij of krachtens wettelijke voorschriften op het gebied van de volksgezondheid;

– art. 86 lid 1 in verbinding met art. 40 Wet BIG, en de Regeling toezicht BIG, als mede art. 7 van de Kwaliteitswet zorginstellingen, op grond waarvan de Inspectie en haar inspecteurs, kort gezegd, het toezicht uitoefenen op de kwaliteit en het kwaliteitssysteem van de individuele gezondheidszorg door zorgverleners die niet respectievelijk wel aan een instelling zijn verbonden of deze vormen;

– art. 65 lid 1 en art. 73 lid 1, aanhef en onder c, Wet BIG, op grond waarvan de Inspectie individuele zaken ter beoordeling kan voorleggen aan de tuchtrechter dan wel in door andere klagers in eerste aanleg aangebrachte zaken hoger beroep kan instellen, terwijl de Inspectie ingevolge lid 8 van art. 65 desgevraagd verplicht dan wel uit eigen beweging bevoegd is inlichtingen ter zake van door haar ingediende klaagschriften aan het Openbaar Ministerie te verstrekken.

Aangezien de Inspectie een bestuursorgaan is in de zin van art. 1:1 lid 1 Algemene wet bestuursrecht, is de rechterlijke controle op de wijze waarop de Inspectie in de persoon van haar inspecteurs haar hierboven genoemde wettelijke taken vervult en bevoegdheden uitoefent op het terrein van de gezondheidszorg, opgedragen aan de bestuursrechter. Het optreden van de Inspectie wordt door deze rechter getoetst aan de normen van het bestuursrecht in of voortvloeiend uit de Algemene wet bestuursrecht en de toepasselijke bijzondere regelgeving op het terrein van de gezondheidszorg, daaronder begrepen de individuele gezondheidszorg. Deze vorm van rechterlijke controle heeft, als gevolg van het door het bestuursrecht gestelde kader waarbinnen deze plaatsvindt, weliswaar niet dezelfde reikwijdte als de toetsing die door de tuchtrechter in het kader van de tweede tuchtnorm in art. 47 lid 1 Wet BIG zou worden uitgeoefend op het handelen van individuele BIG-geregistreerde inspecteurs. De toetsing door de bestuursrechter is immers, kort gezegd, beperkt tot de door het bestuurorgaan bevoegd genomen besluiten gericht op enig rechtsgevolg. Die beperking levert echter, in het licht van de hiervoor in 4.4 genoemde bijzondere taken en bevoegdheden van de Inspectie en haar individuele inspecteurs, onvoldoende grond op om naast de controle door de bestuursrechter het optreden van individuele inspecteurs in de uitoefening van die taken en bevoegdheden, onderworpen te achten aan de toetsing door de tuchtrechter enkel omdat zij in het BIG-register staan geregistreerd.

Dit leidt ertoe het optreden van inspecteurs in het kader van hun wettelijke taken en bevoegdheden uit te zonderen van de hiervoor in 4.3 vermelde rechtspraak waarin in voorkomend geval toepassing wordt gegeven aan de tweede tuchtnorm ten aanzien van BIG-geregistreerden die handelen in een andere hoedanigheid, zoals die van bestuurder van een zorgverlenende instelling.

Dit laatste is slechts anders in gevallen waarin bij het optreden van een BIG-geregistreerde inspecteur de hoedanigheid waarin hij of zij is geregistreerd zozeer op de voorgrond staat dat dit optreden redelijkerwijze geacht moet worden geen verband te houden met de uitoefening van zijn wettelijke taak of bevoegdheid als inspecteur voor de gezondheidszorg.

Nu van dit laatste of van een daarmee vergelijkbaar geval in de onderhavige tuchtzaken geen sprake is, leidt hetgeen hiervoor is overwogen tot de beslissing dat klagers niet-ontvankelijk zijn in hun klachten en het Centraal Tuchtcollege niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling daarvan.”

Letselschade-expert Yme Drost vindt de feitelijke tuchtrechtelijk immuniteit van inspecteurs van de IGZ onwenselijk: “Het is een feit van algemene bekendheid dat de Inspectie voor de Gezondheidszorg slecht heeft gefunctioneerd in de afgelopen jaren. Ook de aangeklaagde inspecteur heeft slecht werk geleverd in de kwestie Jansen Steur. Dat zo’n inspecteur, die van het regionaal tuchtcollege nog een waarschuwing kreeg, tuchtrechtelijk nu vrijuit gaat is een verkeerd signaal en niet in het belang van de individuele gezondheidszorg. De beslissing van het Centraal Tuchtcollege heb ik echter te respecteren. Mijn hoop gaat nu uit naar de politiek, om door middel van een wetswijziging ook inspecteurs van de IGZ onder de werking van het medisch tuchtrecht te brengen.”

Eerdere uitspraken van het Regionaal Tuchtcollege

Uitspraken Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg