“Het is allemaal nog veel erger dan wij dachten,” dat zeggen slachtoffers van de voormalig neuroloog Jansen Steur, nu het einde van het strafproces in zicht komt. Ze kunnen het niet verkroppen dat de verantwoordelijke bestuurders binnen het Medisch Spectrum Twente (MST) mogelijk vrijuit gaan.

Jansen Steur staat voor de Almelose rechtbank terecht voor het globaal tussen 1998 en 2004 stellen van talrijke foutieve diagnoses en het verkeerd medisch behandelen van zijn patiënten. Tegen de oud-neuroloog is zes jaar onvoorwaardelijke gevangenisstraf geëist. Ook de medische tuchtrechter buigt zich over de zaak.

Oproep aan het OM

In een gisteren verzonden brief aan Justitie doen enkele van deze patiënten een klemmend beroep op het Openbaar Ministerie om de mogelijkheden van strafvervolging van voormalige bestuurders van het MST te onderzoeken. De brief noemt zes voormalige leden van de raad van bestuurders bij naam en een voormalig voorzitter van de raad van commissarissen van het MST.

Bestuurders mede schuldig

Letselschade-expert Yme Drost, die veel slachtoffers van de ex-neuroloog bijstaat, heeft de brief geschreven. Het initiatief om de brief te schrijven kwam van de slachtoffers zelf. Met name Wim van Losser, die ten onrechte de diagnose Alzheimer kreeg, heeft zich er sterk voor gemaakt. Hij beschouwt de bestuurders mede schuldig aan het drama, dat hem en vele anderen is overkomen. Drama’s die hebben geleid tot de grootste medische strafzaak ooit in Nederland. Het leed dat slachtoffers is aangedaan is enorm. “Zij die dr. Jansen hadden kunnen stoppen, deden dat immers niet”, zo vermeldt de brief.

Verbod op zoektocht naar mogelijk gedupeerde oud-patiënten

Het door het ziekenhuis stilhouden van de zaak van mevrouw Damink, bij wie Jansen Steur ten onrechte de diagnose Alzheimer stelde, en het haar aanbieden van een zwijgcontract met boetebeding, wordt als voorbeeld van het bestaan van een doofpot in de brief genoemd. Ook wordt er geciteerd uit het rapport van de commissie Lemstra als het gaat om de houding van de voormalig bestuurders:
Wolter Lemstra“Illustratief daarvoor is de opdracht die zij aan de vakgroep geeft na de ziekmelding van Jansen in december 2003: de vakgroep moet de praktijk van Jansen waarnemen, geen informatie naar buiten brengen, notities bijhouden over patiënten bij wie een verkeerde diagnose en/of behandeling is (in)gesteld, maar geen verdere actie ondernemen en geen actieve zoektocht op touw zetten naar mogelijk gedupeerde oud-patiënten. Ook de bejegening van patiënten die kort na Jansen’s vertrek het ziekenhuis aanspreken is afwerend en afstandelijk.”
Volgens de slachtoffers werden de bestuurders daardoor mogelijk mededader of medeplichtige.

Naam ziekenhuis was kennelijk belangrijker

In de brief is verder te lezen: “Niemand besloot om actief op zoek te gaan naar slachtoffers en misdiagnoses. De naam van het ziekenhuis was kennelijk belangrijker dan de individuele gezondheidszorg van voormalige patiënten van Jansen Steur”.

En zo kon het gebeuren dat slachtoffers als Joke Prins (MS) en Taib El Haddad (Alzheimer) pas in 2009, ruim vijf jaar na het vertrek van Jansen Steur uit het ziekenhuis, te horen kregen dat de bij hen gestelde diagnoses onjuist waren.

waterschadeOnderzoek naar verdwenen dossiers

Ook hebben de slachtoffers het Openbaar Ministerie (OM) gevraagd een onderzoek in te stellen naar een onder ede afgelegde verklaring van een medewerker van het MST. Deze medewerker verklaarde in november bij de tuchtrechter, dat bepaalde patiëntendossiers van Jansen Steur door waterschade “tot pulp” zijn verworden. Er zijn aanwijzingen dat die verklaring mogelijk onjuist zou zijn.

Een twaalftal slachtoffers heeft zich rondom het initiatief van Van Losser verenigd. Ze hebben Joke Prins, die ten onrechte van Jansen Steur de diagnose MS kreeg, als hun woordvoerder benoemd.

OM sluit vervolging individuele bestuurder niet uit

Het OM neemt pas na afloop van de strafzaak tegen Jansen Steur een besluit over de strafrechtelijke vervolging van het ziekenhuis. Vandaag berichtte het Dagblad Tubantia dat het OM daarbij vervolging van een individuele bestuurder niet uitsluit.