Maandelijks schrijft één van de letselschade-experts van Drost Letselschade een persoonlijke column over zaken en ervaringen rond de letselschade-praktijk. Deze maand een bijdrage van Céline Sessink, NIVRE register-expert.

Céline SessinkOnzichtbare ellende

Een achteropaanrijding met een voldoende te begrijpen mechanische geweldsinwerking op de wervelkolom, kan in sommige gevallen tot vervelend letsel leiden. In ons vakjargon en dat van medici wordt in een dergelijk geval gesproken van een acceleratie-decelaratieletsel, een versnellingstrauma, gelet op het feit dat er in zeer korte tijd eerst een versnelling optreedt en daarna een vertraging.

Bij een dergelijk trauma wordt het hoofd van de inzittende(n) van het voertuig met een slingerbeweging eerst met grote kracht achterover (of opzij) geslagen en vervolgens, wanneer de auto abrupt tot stilstand is gekomen, nog eens in tegengestelde richting. Doordat de nek hierbij wordt blootgesteld aan G-krachten, kan de geweldsinwerking resulteren in beschadigingen aan/van wervels of tussenwervelschijven, banden, spieren en zenuwen/zenuwbanen. In een zeer uitzonderlijke situatie kan zelfs sprake zijn van beschadiging van het ruggenmerg of van microscopische beschadigingen in/van het brein.

Klachten kunnen acuut ontstaan, maar zich ook binnen enkele uren, dagen of zelfs weken langzaam manifesteren. Daarbij bestaat er een variatie aan klachtenpresentaties: van pijnlijke spieren in de nek-/schouderregio, hoofdpijn, prikkelingen c.q. tintelingen en/of krachtsverlies in ledematen, tot concentratieproblemen en energetische problemen of klachtenconstellaties die een combinatie hiervan inhouden. Meestal verdwijnen deze klachten met de juiste aanpak mettertijd, soms relatief vlot. In een enkel geval houden de klachten langdurig aan of zijn ze zelfs blijvend. Dat kan gepaard gaan met structurele vermogensschade en ander nadeel.

Wanneer een aansprakelijke partij voor de schade kan worden aangesproken of het slachtoffer zijn of haar schade, los van de schuldvraag, kan verhalen op de eigen verzekeraar (SVI-verzekering), betekent dat dat van het slachtoffer wordt gevergd dat hij zijn schade bewijst. Niet alleen op schadecomponentniveau, maar ook in medische zin moet het slachtoffer aantonen dat het ongeval heeft gezorgd voor (structurele) klachten en beperkingen. Als de schadelast substantieel is, of zou kunnen worden, ontstaat een onzeker traject qua bewijsvoering. Want hoe bewijs je dit allemaal?

Een acceleratie-deceleratietrauma leidt in de meeste gevallen immers niet tot zichtbare beschadigingen. De eventuele, fysieke beschadigingen zijn op microscopisch niveau en laten zich zodoende meestal niet ‘vangen’ met beeldvormende technieken (röntgenfoto’s, echo’s, MRI-/CT-scans). De bevindingen bij dergelijke onderzoeken zijn vaak dat er geen zichtbare, traumatische letsels aanwezig zijn. Wij noemen dat ‘medisch niet objectiveerbaar letsel’ of ‘substraatloze klachten’.

Vanwege de afwezigheid van zichtbare traumatische letsels kan (een medisch adviseur van) een schadevergoedingsplichtige partij de stelling innemen dat ofwel de klachten niet verklaarbaar zijn, ofwel deze aan ongevalsvreemde oorzaken te relateren zijn (zoals overbelasting, een sportblessure, slijtage, etc.), ofwel dat de klachten onmogelijk tot functionele beperkingen kunnen leiden, ofwel dat er meer aan de hand moet zijn in psychologisch opzicht, waardoor de klachtenbeleving beïnvloed wordt. Dat een accelaratie-deceleratietrauma door medici tegenwoordig gediagnosticeerd wordt als ‘kneuzing van de nek’ (voorheen whiplash/whiplashsyndroom/post-whiplashsyndroom/PWS/WAD) werkt hierbij ook niet echt in het voordeel. Deze ‘diagnose’ dekt vaak de lading niet.

Gevolg kan zijn dat een discussie over medische causaliteit tussen de klachten en het ongeval moet worden gevoerd tussen de belangenbehartiger van het slachtoffer en de schadevergoedingsplichtige partij. In dit traject kan worden aangedrongen op allerhande, onafhankelijke deskundigenonderzoeken; Delta-V analyse (G krachten-onderzoek), het onderzoeken van de medische voorgeschiedenis, belastende medische expertises, arbeidsdeskundige onderzoeken, etc. Een slachtoffer is echter lang niet altijd gebaat bij het inzetten van dergelijke, belastende onderzoeken. Hier is deskundig advies op zijn plaats. De overwegingen zijn altijd zeer individueel, waarbij de wens van het slachtoffer centraal staat.

Betrekkelijk vaak wordt gekozen voor een praktische oplossing, een pragmatische regeling, gebaseerd op een reëel scenario met goede en kwade kansen. Uiteraard schuilt daarin een risico, want de regeling is definitief. Een voorbehoud zal slechts aan de orde kunnen zijn, wanneer dat door een ingeschakelde, onafhankelijk medisch deskundige wordt geïndiceerd. Daarvoor moet het slachtoffer zogezegd een heel traject door en bij niet objectiveerbaar letsel zal dat bovendien niet snel aan de orde zijn op grond van de medische richtlijnen die worden gebruikt bij dergelijke expertiseonderzoeken.

Hoewel ik daar normaal gesproken niet zo van ben, maak in deze context een bruggetje naar een persoonlijke ervaring. Niet om medelijden te wekken, maar als passend voorbeeld binnen deze context:

Op 10 mei 2000 reed ik in mijn gloednieuwe Ford Kaatje een industrieterrein af. Hierbij werd ik van links aangereden door een grote vrachtwagen die 80-90 km per uur reed. Het aangrijppunt was pal achter mijn stoel. De achterzijde van mijn auto was volledig weggeslagen en delen van de voorbumper van de vrachtwagen werden voorin mijn auto gevonden (het wrak heb ik later mogen terugzien). Ik ben met het autootje over de kop gerold en met mijn hoofd door de zijruit gegaan. Van het ongeval herinner ik mij niet veel, behalve geluiden van omstanders die schreeuwden dat ik ‘er geweest was’ en een moment in de ambulance waarop ik mij realiseerde dat mijn benen het ‘niet meer deden’. Het schijnt een lugubere aanblik te zijn geweest: een enorme plas bloed, een auto waarvan niets over was en geen beweging in de persoon in al dat bloed. De arme vrachtwagenchauffer was in shock en heeft een PTSS opgelopen, wat het einde van zijn carrière betekende. Met mij ging het echter wonder boven wonder ‘goed’, een dag later mocht ik het ziekenhuis uit, weliswaar met hersenschudding, een hoofd vol hechtingen, gekneusde ribben, een enorm hematoom van de veiligheidsgordel, en een beetje dubbelzicht. Weer een dag later heb ik mijn leven opgepakt en ben ik zelfs gaan werken (wat natuurlijk eigenlijk niet te doen was in die toestand). Destijds had ik nog nooit van een letselschadevordering gehoord. In de weken die volgden voelde ik mij langzaamaan minder ellendig en nog een flinke periode nadien had ik zo nu en dan wel eens klachten van zware hoofdpijn, een vertroebeld hoofd, rugpijn, nekpijn, etc., maar deze bracht ik allang niet meer in verband met het ongeval. De meeste klachten zijn vervolgens ook min of meer vanzelf verdwenen.

Pas jaren later hebben medische onderzoeken laten zien dat het ongeval destijds toch meer impact heeft gehad dan ik toen kon vermoeden. Zo waren onder andere een (inmiddels oude) rugwervelfractuur en een fractuur van de schedel te zien, alsmede een verdikking op het sleutelbeen. Deze -achteraf- ‘wel objectiveerbare letsels hebben echter niet voor noemenswaardige problemen gezorgd. Daaraan lag destijds een inwerking op en verrekking van weke delen ten grondslag.

De daaruit voortvloeiende problematiek uitte zich pas echt noemenswaardig in/vanaf 2014, toen ik plots mijn linkerarm niet meer kon bewegen en deze ook koud en dood aanvoelde. Deze aanvallen kwamen steeds vaker terug, samen met ‘wegrakingen’ door een verstoorde bloedvoorziening naar hals en hoofd. Ook kreeg ik problemen met de ademhaling/longen. Na veel diagnostiek werd pas onlangs de oorzaak gevonden: een beknelling van een hoofdslagader onder het linker sleutelbeen. Deze slagader werd, zo bleek later, dichtgedrukt door stug littekenweefsel/bindweefsel dat zich in de weke delen in de bortsholte had gevormd (tussen sleutelbeen en eerste rib, tot op de longtop/het longvlies. Een pittige en zeer risicovolle operatie van 4,5 uren was nodig om de slagader vrij te prepareren uit de ‘fibreuze banden en strengen’ zonder schade aan belangrijke structuren aan te richten. Deze operatie heeft inmiddels (8 weken geleden) plaatsgevonden. Eerste rib en 2 halsspieren zijn daarbij verwijderd om meer ruimte te maken en het littekenweefsel in de borstholte en op de long werd verwijderd. De eerste weken post-OK waren heus echt heel zwaar, maar het herstel lijkt andermaal gelukkig redelijk voorspoedig te verlopen.

De moraal van het verhaal is dat, wanneer ik destijds een letselschadeprocedure zou zijn gestart, ik vrij vlot zou hebben afgewikkeld. Een rechtvaardigingsgrond voor een voorbehoud zou niet zijn gevonden op grond van de medische informatie destijds. Het littekenweefsel is ontstaan op de plaats waar weliswaar een grote geweldsinwerking heeft plaatsgevonden, maar waar direct na het ongeval niets te zien was op foto’s/MRI. Het heeft er circa 14 jaar over gedaan om een gevaarlijke situatie op te leveren. Met dit risico zou bij een regeling dan geen rekening zijn gehouden.

Daarmee kom ik terug op de vakpraktijk. Daar gaat het in dit stukje om. Het punt is dat ook medisch niet objectiveerbaar letsel wel degelijk nare gevolgen kan hebben, zelfs nog (of pas) vele jaren later. Weliswaar bij hoge uitzondering (van mijn eigen casus zijn nog geen 2000 in Nederland bekend) maar het kan dus wel. Een voorbehoud zou ook bij een pragmatische regeling, juist vanwege lage incidentie, mijns inziens dan ook niet altijd op voorhand moeten worden verworpen bij niet objectiveerbaar letsel.

Ik begrijp mijn cliënten dan ook maar al te goed wanneer zij hun onbegrip of frustratie uiten over lopende causaliteitsdiscussies en/of beperkingenvraagstukken en over de beperkingen en restricties die daaruit voortvloeien binnen de letselschaderegeling. Dan kun je maar beter een belangenbehartiger in de arm nemen met verstand van zaken en veel ervaring met dit soort aangelegenheden, die je deskundig adviseert en zich inzet voor tenminste een optimale en adequate regeling. Het is immers allemaal al lastig genoeg!